Voorbeeld Bibob-clausules

Bibob-clausules

Hieronder worden drie voorbeeldclausules gegeven. Of zij daadwerkelijk kunnen worden opgenomen in de standaardovereenkomsten, hangt onder meer af van het type vastgoedtransactie. Of ze vervolgens in de praktijk kunnen worden toegepast, is mede afhankelijk van de concrete omstandigheden.

Artikel 1

Op deze overeenkomst is de [naam beleidsregel] van toepassing. Door ondertekening verklaart [naam wederpartij] kennis te hebben genomen van deze beleidsregel.

Artikel 2

1. [Naam rechtspersoon met overheidstaak] kan de overeenkomst onmiddellijk en naar eigen keuze opschorten, ontbinden of beëindigen, zonder gehouden te zijn tot vergoeding van eventuele schade en zonder daarbij een termijn in acht te hoeven nemen, voor zover:

  • Er sprake is van [een ernstig/tenminste een mindere mate van gevaar] dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;
  • Er sprake is van [een ernstig gevaar/tenminste een mindere mate van gevaar] dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;
  • Er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat [naam partij invullen] in relatie staat tot strafbare feiten;
  • Er sprake is van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van deze vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;
  • [Naam partij] heeft nagelaten de vragen die hem door [naam rechtspersoon met overheidstaak] zijn gesteld op grond van artikel 30 Wet Bibob, volledig en naar waarheid te beantwoorden, of
  • [Naam partij] heeft nagelaten de vragen die hem door het Landelijk Bureau Bibob zijn gesteld op grond van artikel 12, vierde lid Wet Bibob, volledig en naar waarheid te beantwoorden.
  • De begrippen ernstig gevaar, mindere mate van gevaar, strafbare feiten, in relatie staan tot en feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden hebben in deze overeenkomst de betekenis die hen in de Wet Bibob toekomt.

Artikel 3

[Naam rechtspersoon met overheidstaak] kan het Landelijk Bureau Bibob met het oog op diens taak zoals bedoeld in artikel 9, derde lid Wet Bibob, om advies vragen.

Voorbehoud

Deze artikelen zijn geschreven vanuit de formele expertise van het Bureau. Die expertise betreft de Wet Bibob. Er mag vanuit worden gegaan dat deze bepalingen voldoen bij het toepassen van Bibob-bevoegdheden, zoals het aanvragen van een advies. Wel dienen de artikelen te worden afgestemd op de concrete vastgoedtransactie; de vestiging van een erfpachtrecht vereist uiteraard een andere formulering dan bepalingen in een huurovereenkomst. Vanwege de diversiteit aan vastgoedtransacties in de Wet Bibob is daarmee in deze handreiking geen rekening gehouden. De formele expertise van het Bureau heeft geen betrekking op het opstellen van overeenkomsten. Deze bepalingen kunnen daarom niet zonder meer worden overgenomen, maar dienen altijd gecontroleerd te worden door de eigen juridische (vastgoed)afdeling. Evenmin kan worden aangenomen dat bij deze formulering bijvoorbeeld een overeenkomst zonder meer kan worden ontbonden (vgl. par. 7.1, nr. 3).

Nadere toelichting

Artikel 1 verklaart een eventuele beleidsregel Bibob van toepassing op de overeenkomst.

Artikel 2, eerste lid verschaft duidelijkheid over de situaties waarin tot ontbinding of opschorting van de overeenkomst kan worden overgegaan. Het opnemen van de onderdelen a, b en d is noodzakelijk om een advies aan te vragen bij het Bureau. Ten aanzien van de onderdelen a en b kan de rechtspersoon met overheidstaak zelf de afweging maken bij welke gradatie van de mate van gevaar men kan ontbinden. Onderdeel c maakt het mogelijk om de overeenkomst te ontbinden, indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die niet bijdragen aan de mate van gevaar, maar naar het oordeel van de rechtspersoon met overheidstaak wel een integriteitsrisico vormen. Ter illustratie kan worden gewezen op de situatie waarin de betrokkene (of één van diens relevante Bibob-relaties) is veroordeeld voor een levensdelict. Ondanks de ernst van een dergelijk feit, wordt het bij vastgoedtransacties binnen het kader van artikel 9 (en artikel 3)  Wet Bibob in beginsel niet bij de beoordeling van de mate van gevaar betrokken. Het is echter voorstelbaar dat de rechtspersoon met overheidstaak toch geen zaken meer wenst te doen met de betrokkene. Deze bepaling maakt dat mogelijk. Voor de goede orde zij vermeld dat het Bureau zich niet uitspreekt over de wenselijkheid van het opnemen van een dergelijke bepaling. Dat staat ter beoordeling van de rechtspersoon met overheidstaak zelf. De onderdelen e en f maken het mogelijk om te ontbinden of op te schorten, indien de betrokkene weigert om Bibob-vragen te beantwoorden. Artikel 4 Wet Bibob staat eraan in de weg dat deze weigering wordt aangemerkt als een ernstig gevaar (en daarmee als ontbindingsgrond). Om in dergelijke gevallen te kunnen ontbinden is het daarom van belang een aparte bepaling op te nemen.

Artikel 2, tweede lid verschaft de wederpartij duidelijkheid over de gehanteerde begrippen.

Artikel 3 is strikt genomen niet noodzakelijk om een advies aan te vragen bij het Bureau, maar verschaft de wederpartij wel inzicht in de mogelijkheid daarvan.