AWB 185638

AWB 18/5638 - Rechtbank Gelderland - 9-11-2018

Trefwoord(en)Ernstig gevaar a-grond, Zakelijk samenwerkingsverband, Proportionaliteit
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning seksinrichting
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub a, Art. 3 lid 4 sub c, Art. 3 lid 5, Art. 3 lid 2

Uitspraak

Uitspraak

AWB 18/5638

Datum uitspraak: 9 november 2018

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

uitspraak van de voorzieningenrechter van op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Besloten Vennootschap], te Nijmegen, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.A. Robbers),

En

de burgemeester van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2018 heeft verweerder geweigerd aan verzoekster exploitatievergunningen te verlenen voor het exploiteren van een seksbedrijf, bestaande uit twee raamprostitutiepanden, aan de [adres 1] en [adres 2] te Nijmegen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Verzoekster is verschenen bij [naam 1], bestuurster, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Bloemena en J. Koster.

Bij uitspraak van 31 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat verzoekster wordt behandeld als of zij in het bezit is van de gevraagde exploitatievergunningen.

Overwegingen

Twee opmerkingen vooraf. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) in te stellen beroep niet. De voor deze uitspraak relevante wettelijke bepalingen zijn weergegeven in de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

1. In artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan opheffen of wijzigen. Gelet op de bij uitspraak van 31 oktober 2018 getroffen voorlopige voorziening, dient nu beoordeeld te worden of er redenen zijn om deze voorlopige voorziening op te heffen dan wel te wijzigen.

2. Verzoekster exploiteert op de adressen [adres 1] en [adres 2] te Nijmegen seksbedrijven. Hiervoor zijn in 2003 exploitatievergunningen verleend. Als gevolg van een wijziging in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen (hierna: Apv) heeft verzoekster voor voortzetting van haar bedrijven nieuwe exploitatievergunningen nodig. Deze heeft zij op 29 mei 2017 aangevraagd. Verweerder heeft deze vergunningen, na een door het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) op 28 maart 2018 uitgebracht Bibob advies, geweigerd. Deze weigering heeft tot gevolg dat de in 2003 verleende vergunningen niet meer van kracht zijn op de dag na verzending van het besluit van 12 oktober 2018. Dit volgt uit artikel 3.5.1, overgangsbepaling van de Apv. Verzoekster is daardoor sinds 13 oktober 2018 niet meer in het bezit van de benodigde exploitatievergunningen. Verweerder heeft verzoekster er in het bestreden besluit op gewezen dat zij de exploitatie van haar seksbedrijf direct dient te staken. [Naam 1] is sinds 31 maart 2017 enig aandeelhoudster en sinds 18 januari 2006 bestuurster van verzoekster.

3. Verzoekster vindt dat er sprake had dienen te zijn van een ‘rimpelloze’ overgang van de in 2003 verleende vergunningen voor het seksbedrijf naar de in 2017 aangevraagde vergunningen voor het seksbedrijf. In al die jaren heeft zich geen enkele omstandigheid voorgedaan in strijd met de vergunningen en [naam 1], enig aandeelhoudster en bestuurster, heeft een blanco strafblad. Verzoekster vraagt om een voorlopige voorziening, waarmee zij de exploitatie kan en mag voortzetten tot twee weken na de beslissing op haar bezwaar.

4. In de gemeente Nijmegen dienen als gevolg van de wijziging van de Apv nieuwe exploitatievergunningen voor seksinrichtingen te worden aangevraagd. Die aanvragen dienen getoetst te worden aan de van toepassing zijnde regelgeving, waaronder de bepalingen uit de

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook van een rimpelloze overgang zonder nieuwe toetsing geen sprake zijn.

5. Verweerder legt aan de weigering ten grondslag dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten doordat verzoekster

in een zakelijk samenwerkingsverband staat met [naam 2] en [naam 3]. In het besluit wordt verder overwogen dat een mindere mate van gevaar bestaat om strafbare feiten te plegen doordat eiseres in een zakelijk samenwerkingsverband staat met [naam 4]. Nu de mindere mate van gevaar niet ten grondslag ligt aan de weigering van de vergunning blijft dit zakelijk samenwerkingsverband in deze uitspraak buiten beschouwing.

Zakelijk samenwerkingsverband

6.1 Verweerder merkt de huurovereenkomst tussen verzoekster enerzijds en [naam 3] en [naam 2] anderzijds als een zakelijk samenwerkingsverband aan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder c, van de Wet bibob.

6.2 Verzoekster betoogt dat zij de panden van [naam 3] en [naam 2] huurt en daarmee in een huurrelatie met de verhuurderseigenaren staat. Het is volgens verzoekster onjuist te veronderstellen dat sprake is van samenhang van verhuurders, eigenaren en huursters met betrekking tot de exploitatie van de panden [adres 1] en [adres 2]. Tussen verzoekster en de verhuurderseigenaren bestaat geen zakelijk samenwerkingsverband, aldus verzoekster.

6.3 Niet in geschil is dat [naam 2] verhuurder en vruchtgebruiker is van de panden [adres 1] en [naam 3] verhuurder en 50% eigenaar van het pand [adres 2]. Het alleen bestaan van een huurrelatie is echter onvoldoende voor het aannemen van een samenwerkingsverband.

6.4 Verweerder stelt dat geen sprake is van een normale zakelijke transactie tussen verzoekster en verhuurders van de panden nu blijkt dat 70% van de begrote jaaromzet uit de verhuur van ruimten in die panden aan prostituees als huur voor die panden ten goede komt aan de verhuurders.

6.5 Uit jurisprudentie volgt dat indien een aanzienlijk deel van de begrote jaaromzet uit de verhuur van ruimten in panden aan prostituees als huur voor deze panden aan de verhuurder ten goede komt, er geen sprake is van een normale zakelijke transactie.1

6.7 Uit de berekening in het bestreden besluit afkomstig uit het Bibob-advies blijkt dat de percentages ten aanzien van de huurprijs die verzoekster is overeengekomen in verhouding tot de (geprognosticeerde) omzet, die ten goede van [naam 2] en [naam 3] komen, vergelijkbaar zijn met het percentage van 70% dat in eerdergenoemde jurisprudentie speelde. Op basis hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder kon oordelen dat sprake is een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoekster en [naam 2] en [naam 3]. Duidelijk is dat de huurprijs een substantieel deel van de opbrengsten vormt en dat het financiële belang van [naam 3] en [naam 2] bij exploitatie van het seksbedrijf groot is. Gelet hierop is aannemelijk dat sprake is van een duurzame samenwerking tussen verzoekster enerzijds en [naam 3] en [naam 2] anderzijds. De omstandigheid dat de huur inmiddels is verlaagd doet niet af aan dit zakelijk samenwerkingsverband.

Motivering A-grond

7.1. Bij de beoordeling of zich een gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob voordoet, worden feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten waarbij op geld waardeerbare voordelen zijn verkregen. Daarbij wordt ook de grootte van de verkregen voordelen betrokken.

7.2 Uit het Bibob-advies blijkt dat [naam 2] belastingfraude van € 522.949 heeft gepleegd en omzetbelasting over een bedrag van € 423.640 (19% BTW) niet heeft voldaan.

Dit wordt niet door verzoekster bestreden. Hierdoor bestaat voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat verzoekster in relatie staat tot strafbare feiten waarbij op geld waardeerbare voordelen zijn verkregen over de periode 1 november 2006 tot en met 1 mei 2008. Ondanks dat het voordeel ruim tien jaar geleden is gerealiseerd, is het voordeel dusdanig groot dat sprake is van ernstig gevaar.

Proportionaliteit

8. De weigering een exploitatievergunning te verlenen vindt slecht plaats indien deze evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Voor wat betreft de a-grond is de mate van gevaar uit de conclusie: “ernstig gevaar” proportioneel. De vergunning wordt aangevraagd voor dezelfde activiteiten als ten tijde van het begaan van de strafbare feiten. De burgemeester heeft deugdelijk gemotiveerd dat sprake is van evenredigheid als hier bedoeld.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting bij de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. Voor het voortzetten van de bij uitspraak van 31 oktober 2018 getroffen voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding. De voorlopige voorziening wordt daarom opgeheven.

10. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter heft de bij uitspraak van 31 oktober 2018 getroffen voorlopige voorziening op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.C. Knoester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 09 november 2018

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 09 nov. 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Vergelijk uitspraken van de rechtbank Overijssel van 27 november 2015

(ECLI:NL:RBOVE:20l5:5261) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2017 (ECLL:NL:RVS:2017:834)

Maak PDF van deze pagina