AY6231 - Rechtbank Den Haag - 09-03-06

AY6231 - Rechtbank Den Haag - 9-3-2006

Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw

Hoofdpunten

  • De zaak betreft het beroep van derden tegen een verleende bouwvergunning.
  • Ingevolge artikel 43 van de Wet BIBOB zijn de bepalingen van de in hoofdstuk 5 genoemde wetten, zoals zij luiden na de inwerkingtreding van deze wet (1 juni 2003), niet van toepassing op de aanvraag van een beschikking die voor die datum is ingediend, onderscheidenlijk de aanbestedingsprocedure of onderhandeling waarmee voor die datum een aanvang is gemaakt. In casu houdt dit in dat de aanvraag van de bouwvergunning d.d. 30 december 2002 niet onder werking van de Wet BIBOB valt.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

 

Reg. nrs. AWB 04/1132, 04/1656 WW44, 05/480 en 05/481 VEROR

 

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

Uitspraak in het geding tussen

 

  1. Stichting Actiegroep Het vergeten Dorp tevens handelend onder de naam Stichting Bewonersorganisatie Schipperskwartier gevestigd te Den Haag, eiseres en

 

2.[eiser 2A] en [eiser 2B], wonende te Den Haag, eisers.

 

en

 

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

 

Derde-partij: de Stichting Vestia Groep, waarvan onderdeel is Ceres Projecten, gevestigd te Rotterdam, vergunninghoudster.

 

Ontstaan en loop van het geding

 

Bij besluit van 27 juni 2003 heeft verweerder - onder verlening van ontheffingen krachtens artikel 2.5.29 en 2.5.30 van de Bouwverordening - aan vergunninghoudster een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met tentoonstellingsruimte, recreatieruimte, horeca, kantoorruimte en bedrijfsruimte op de percelen gelegen op een hoek van het Rijswijkseplein, tussen de Rijswijkseweg, de Stationsweg en de Hofwijckstraat.

 

Bij besluit van 5 maart 2004, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviesommissie bezwaarschriften van 4 maart 2004, de hiertegen door eiseres sub 1 en eisers sub 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

 

Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1 bij brief van 16 maart 2004, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld (zaaknummer 04/1132 WW44). De gronden zijn daarna aangevuld.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 2 bij brief van 14 april 2004, ingekomen bij de rechtbank op 15 april 2004, beroep ingesteld (zaaknummer 04/1656 WW44).

 

Bij besluiten van 15 juni 2004 heeft verweerder aan vergunninghoudster ontheffing van de Leefmilieuverordening Oude Centrum en Stationsbuurt (hierna: LOS) verleend voor het vestigen van een alcoholhoudende recreatie-inrichting (caf?-restaurant) in de te realiseren woontoren op de begane grond en eerste verdieping en voor het vestigen van een alcoholhoudende recreatie-inrichting (restaurant, dagzaak) in genoemde woontoren op de 40ste verdieping.

 

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder vergunninghoudster ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening verleend van de bepaling in het vijfde lid dat in voldoende mate moet zijn voorzien in de behoefte aan ruimte voor het stallen of parkeren van fietsen en bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen in of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort.

 

Bij besluit van 14 december 2004, verzonden op 17 december 2004, heeft verweerder, deels in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften de tegen de besluiten van 15 juni 2004 en 22 juni 2004 door eiseres sub 1 en eisers sub 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

 

Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1 bij brieven van 25 januari 2005, ingekomen bij de rechtbank op 26 januari 2005, beroep ingesteld (zaaknummers 05/480 en 05/481 VEROR). De gronden zijn daarna aangevuld.

 

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

 

Vergunninghoudster heeft bij brief van 5 oktober 2004 haar zienswijze op de beroepen gegeven.

 

De beroepen zijn op 17 januari 2006 ter zitting behandeld.

Eiseres sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Bolink, bijgestaan door mr.drs. C.G. Meeder, advocaat te Den Haag. Eisers sub 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Potter en ing. E. Been. Namens vergunninghoudster is verschenen C.B. Moormann, bijgestaan door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag

 

Motivering

 

Inleiding

 

Het bouwplan, waarvoor op 30 december 2002 een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, voorziet in de bouw van een driekantige toren van ruim 130 meter hoog, 44 bouwlagen, bestaande uit vier bouwlagen met horecavoorzieningen en kantoor- of tentoonstellingsruimte, met daarboven 36 verdiepingen waarin 300 wooneenheden voor studenten en 51 woningen voor tweepersoonshuishoudens worden gerealiseerd en met daarboven vier verdiepingen met horecavoorzieningen en een terras.

 

Verweerder heeft in het bestreden besluit van 5 maart 2004 overwogen dat de locatie alwaar de toren wordt gebouwd is genoemd in de Hoogbouwvisie Den Haag uit 2001. In rapporten van DGMR Raadgevende Ingenieurs BV (DGMR) is gesteld dat na realisering van het bouwplan de zon- en daglicht-toetreding in de nabijgelegen woongebouwen de Ellips en De Struyck zullen blijven voldoen aan de daarvoor geldende normen. De berekende geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen overschrijdt niet de in de Wet geluidhinder genoemde maximale ontheffingswaarden. Voorts zal geen re?le toename van de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woongebouwen optreden. Door de bouw van de woontoren zal de luchtkwaliteit ter plaatse niet verslechteren. Nadat enige aanpassingen hebben plaatsgevonden voldoet het bouwplan volgens verweerder aan de in het rapport Windhinder rond nieuwbouw uit 1995 gestelde normen. Ten aanzien van de parkeernorm is overwogen dat de in geding zijnde locatie is gelegen in het gebied ?Binnenstad e.o.?, zodat het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van toepassing is. Omdat vergunninghouder zich heeft verplicht om er voor te zorgen dat 144 parkeerplaatsen in de parkeer-garage Laakhaven blijvend beschikbaar zijn dan wel op een andere locatie binnen dezelfde loopafstand van het bouwplan, hetgeen neerkomt op 0,24 parkeerplaats per studenteneenheid, is naar de mening van verweerder op goede gronden ontheffing verleend van deze bepaling.

 

Eiseres sub 1 heeft tegen het besluit van 5 maart 2004 aangevoerd dat ten onrechte ontheffing van de parkeernorm is verleend, primair omdat geen enkele re?le parkeerplaats wordt aangelegd, terwijl de behoefte aan parkeerplaatsen evident stijgt en subsidiair omdat slechts 60 parkeerplaatsen zijn gegarandeerd in plaats van 144 plaatsen.

Tevens is gesteld dat ten onrechte ontheffing is verleend krachtens artikel 2.5.29 van de Bouwverordening, omdat niet is getoetst aan een ontwerp-bestemmingsplan, maar aan een voorontwerpbestemmingsplan en geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de Provinciale Planologische Commissie (PPC) en de gemeente. Bij gebreke van toetsing aan een paragraaf met betrekking tot archeologische waarden en een watertoets is niet vol te houden dat het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerpbestemmingsplan.

Het bouwplan is in strijd met het in de nota Hoogbouwvisie Den Haag neergelegde beleid, omdat het niet voldoet aan zeer hoge stedenbouw-kundige en architectonische kwaliteit, alsmede het aanbrengen van voorzieningen die windhinder moeten tegengaan ter plaatse niet mogelijk is. Daarnaast voldoet het bouwplan gezien de achteruitgang van de bezonning niet aan de in deze nota genoemde eis dat sprake moet zijn van een goed microklimaat.

Voorts is gesteld dat de bouw een onaanvaardbaar veiligheidsrisico oplevert en afsluiting van de Hofwijckstraat tijdens de bouw uit een oogpunt van (verkeers)veiligheid onaanvaardbaar is.

Naar de mening van eiseres sub 1 doet zich strijd voor met artikel 44a van de Woningwet, omdat de financi?le afspraken die verweerder heeft gemaakt met vergunninghoudster als verboden staatssteun moeten worden aangemerkt. De op grond van deze afspraken te verstrekken financi?le middelen zijn bestemd voor de bouwmethode en in beginsel niet voor de realisering van het bouwplan. De bouwvergunning strekt er mede toe de uit deze staatssteun verkregen gelden te benutten, hetgeen een strafbare handeling is.

Ten onrechte is geen ontheffing verleend van artikel 2.5.15 van de Bouwverordening, aldus eiseres sub 1, omdat ter plaatse het voorgeschreven erf ontbreekt.

 

Eisers sub 2 hebben tegen het besluit van 5 maart 2004 onder meer aangevoerd dat het bouwplan een aantasting van de buurt vormt. De noodzaak voor de bouw van studentenwoningen is niet aangetoond.

Daarnaast is gesteld dat ten onrechte ontheffing van de parkeernorm is verleend, omdat niets is geregeld met betrekking tot de parkeerbehoefte van toekomstige bewoners en bezoekers. Eisers hebben erop gewezen dat blijkens de brief van VROM-inspectie van 20 februari 2003 ter plaatse niet voldaan wordt aan de grenswaarde voor SO2 in 2010 en dat een bouwveiligheids- en calamiteitenplan ontbreken. Voorts hebben zij naar voren gebracht dat het bouwplan veel schaduw in hun woningen en windhinder zal veroorzaken.

 

In het bestreden besluit van 14 december 2004 (LOS) heeft verweerder overwogen dat het restaurant op de 40e verdieping een zodanige toevoeging aan het voorzieningenniveau in de stad is dat hiervoor ? conform het LMV-beleid ? ontheffing kan worden verleend. Ten aanzien van de onderbouwing van de ontheffing ten behoeve van een horecafunctie op de begane grond en de eerste verdieping is verwezen naar het ontwerpbestemmingsplan, waarmee de gemeenteraad naar verwachting zal instemmen.

 

Eiseres sub 1 heeft tegen dit besluit aangevoerd dat de ontheffing op grond van de LOS in strijd met het gevoerde beleid is verleend, omdat sprake is van een ?overwegend woongebied?, waar voor nieuwe vestigingen geen ontheffing wordt verleend. Indien de locatie als ?overig gemengd gebied? zou moeten worden aangemerkt, kan evenmin - in afwijking van de beleidsregels - ontheffing worden verleend, nu geen sprake is van een positieve bijdrage aan de woon- en werkomstandigheden en geen afdoende parkeergelegenheid en mogelijkheid tot laden en lossen aanwezig is. Daarnaast is gesteld dat de ontheffing in strijd met artikel 9 van de LOS is verleend, omdat de voorziene horeca-inrichtingen zullen leiden tot toename van de parkeerdruk.

 

In het bestreden besluit van 14 december 2004 heeft verweerder overwogen dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 370 parkeerplaatsen voor fietsen, waarmee ruim is voldaan aan de in de Bouwverordening gestelde norm voor werkfuncties en resteren 350 plaatsen voor bewoners en bezoekers, zodat op goede gronden ontheffing is verleend. Voorts is overwogen dat is gekozen voor een andere laad- en losvoorziening dan in het besluit van 22 juni 2004. Thans is de laad- en losplaats zo dicht mogelijk bij de expeditie-ingang van de woontoren voorzien op een calamiteitenspoor van de tram in de Hofwijckstraat. Door voorwaarden te stellen over dagdelen waarop laden en lossen niet zal zijn toegestaan, is voldoende gewaarborgd dat tijdens de ochtend- en middagspits de tramsporen in geval van een calamiteit direct beschikbaar zijn.

 

Eiseres sub 1 heeft tegen dit besluit aangevoerd dat nog steeds niet is voldaan aan artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening, aangezien de laad- en losvoorziening is gesitueerd op de rijbaan en een noodspoor ten behoeve van de tram, hetgeen uit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is.

 

De rechtbank overweegt het volgende.

 

Algemeen

 

De besluiten van 15 juni 2004 en 22 juni 2004 voorzien in het verlenen van ontheffingen van de LOS respectievelijk artikel 2.5.30, vijfde lid, van de Bouwverordening teneinde verlening van bouwvergunning voor het bouwplan mogelijk te maken. In het besluit van 22 juni 2004 is vermeld dat het een aanvulling en wijziging betreft van de besluiten van 27 juni 2003 en

5 maart 2004 en dat gelet op artikel 6:18 van de Awb de verleende bouwvergunning wordt aangevuld en gewijzigd. Nu reeds een beslissing op bezwaar was genomen en de besluiten van 15 juni 2004 eveneens aanvullingen op de verleende bouwvergunning betreffen, oordeelt de rechtbank dat de besluiten van 15 juni 2004 en 22 juni 2004 met toepassing van artikel 6:18 van de Awb moeten worden aangemerkt als wijzigingen van het bestreden besluit van 5 maart 2004. Voor dit oordeel kan steun worden gevonden in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2006 (LJN: AU9811). Dit betekent dat het bestreden besluit van 14 december 2004 onbevoegd is genomen, voor zover daarbij is beslist op de tegen de besluiten van 15 en 22 juni 2004 ingediende bezwaren. Voor zover in het besluit van 14 december 2004 een nader standpunt wordt ingenomen terzake van de laad- en losvoorziening, is sprake van een nadere wijziging van (de motivering) van het besluit van 22 juni 2004.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb worden de door eiseres sub 1 tegen het besluit van 14 december 2004 ingestelde beroepen geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten van 5 maart 2004, 15 juni 2004,

22 juni 2004 en 14 december 2004 voorzover daarin is beslist omtrent de laad- en losvoorziening. De beroepen met zaaknummers 05/480 en 05/481 VEROR zijn gegrond en het bestreden besluit van 14 december 2004 dient wegens strijd met artikel 6:18 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij is beslist op de tegen de besluiten van 15 en 22 juni 2004 ingediende bezwaren.

 

In artikel 44 van de Woningwet (Wow), zoals dat artikel tot 1 januari 2003 luidde, is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder b van dat artikel dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening.

 

Ter plaatse gold ten tijde van de bestreden besluiten geen bestemmingsplan. Het bestemmingsplan 'Rijswijkseplein' is op 16 december 2004 door de gemeenteraad vastgesteld en bij besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) van 5 juli 2005 goedgekeurd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de Afdeling, maar geen verzoek om voorlopige voorziening ingediend, waardoor het bestemmingsplan op 1 september 2005 in werking is getreden.

 

Artikel 2.5.29 van de Bouwverordening

 

Ingevolge artikel 2.5.29, eerste lid, van de Bouwverordening - zoals dit artikel gold tot 3 november 2005 en voor zover van belang - kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor en achtergevelrooilijn, en van het verbod tot overschrijding van de maximale bouwhoogte voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt, indien voor het gebied waar het bouwplan zal worden opgericht:

  1. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van kracht is en het bouwwerk niet strijdt met het ontwerp van een bestemmingsplan voor dat gebied, omtrent welk ontwerp het overleg, voorzien in artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (Bro), is afgerond, of;
  2. overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de WRO een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, de termijn, bedoeld in artikel 25 van de WRO niet is overschreden en het bouwwerk niet strijdt met het ter inzage gelegde ontwerp.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, slechts kan worden verleend indien aan belanghebbenden gelegenheid is geboden bedenkingen in te dienen tegen het verlenen van de ontheffing, zulks onder terinzagelegging voor de belanghebbenden van het ontwerp-bestemmingsplan en het ontwerp-bouwplan.

 

Uit artikel 2.5.29, eerste lid, onder a, van de Bouwverordening kan - anders dan gesteld - niet worden afgeleid dat een ontwerp van een bestemmingsplan aanwezig moet zijn dat ter inzage is gelegd, omdat artikel 2.5.29, onder b, reeds betrekking heeft op de situatie dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Bovendien vindt het artikel 10 Bro-overleg doorgaans plaats indien sprake is van een voorontwerpbestemmingsplan.

Aangezien de gemeenteraad op 6 maart 2003 een voorbereidingsbesluit heeft genomen, dat met ingang van 20 maart 2003 in werking is getreden en twee jaar geldig was, was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten een voorbereidingsbesluit van kracht. Vastgesteld wordt dat ten tijde van de verlening van de bouwvergunning een voorontwerpbestemmingsplan aanwezig was en dat blijkens paragraaf 8 van de toelichting van het bestemmingsplan 'Rijswijkseplein' en de brief van de PPC van 6 juni 2003 het artikel 10 Bro-overleg op dat moment was afgerond. Gesteld noch gebleken is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het voorontwerpbestemmingsplan. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 2.5.29 van de Bouwverordening was voldaan.

 

In de Hoogbouwvisie van 10 juli 2001, waarmee de gemeenteraad op 19 juli 2001 heeft ingestemd, is vermeld dat bij de entrees naar Hoog Hage plus (het Rijswijkseplein en Schenkkade/Prinses Beatrixlaan) hoogbouw van 100 tot 140 meter mogelijk is. Nu voorts het bouwplan in de vergadering van de welstandscommissie van 18 juni 2003 uiteindelijk positief is beoordeeld en de inhoud van dit advies niet door een deskundigenadvies is bestreden, is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan voldoet aan de in dit geval te stellen eisen van stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit. Van strijd met de Hoogbouwvisie is op dit onderdeel dan ook geen sprake.

Omtrent de stelling dat de noodzaak van studentenwoningen niet is aangetoond wordt overwogen dat blijkens het raadsbesluit van 24 januari 2002 is ingestemd met het plan van Vestia voor de realisering van een woontoren aan het Rijswijkseplein. Hieruit blijkt dat de toren beoogt bij te dragen aan de realisering van de doelstellingen van de gemeente om de Stationsbuurt te ontwikkelen voor studentenhuisvesting en om stedelingen met midden- en hogere inkomens aan te trekken. Deze beleidsmatige keuze dient te worden gerespecteerd, derhalve, kan de noodzaak van studenten-woningen in de Stationsbuurt in de onderhavige procedure niet ter discussie staan.

 

Naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning in de directe omgeving is onderzoek gedaan. Uit het rapport van DGMR van 22 april 2003 blijkt dat op alle plaatsen in het gebouw De Ellips wordt voldaan aan het door de gemeente gehanteerde criterium betreffende het aantal bezonningsuren.

Ook heeft DGMR de vermindering van daglichttoetreding onderzocht. Blijkens de rapporten van DGMR van 2 februari 2001 en 15 oktober 2003 voldoen alle woningen in de gebouwen De Ellips en De Struyck aan de in het Bouwbesluit gestelde normen voor daglichttoetreding.

 

Naar windhinder ten gevolge van het bouwplan is eveneens onderzoek gedaan. Uit het rapport van DGMR van 9 februari 2001 blijkt dat geen windgevaar optreedt ten gevolge van het bouwplan, indien aan de zuid- en westzijde van de toren 3 meter hoge schermen worden aangebracht en indien ter plaatse van gebouw De Ellips bossages worden geplaatst. In het rapport van DGMR van 24 juni 2002 is vermeld dat ter voorkoming van windgevaar een staand of een afhangend scherm dient te worden aangebracht aan de westzijde over de gehele breedte van de toren. Ter zitting is verklaard dat schermen zullen worden aangebracht.

Niet bekend is echter of die schermen voldoen aan de in het laatstgenoemde rapport van DGMR gestelde eisen. Evenmin is duidelijkheid verkregen omtrent de aanleg van bossages aan de zijde van gebouw De Ellips. Gelet hierop wordt geoordeeld dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de bouw van de toren niet leidt tot onevenredige windhinder dan wel gevaar voor de weggebruikers nabij de toren. Het bestreden besluit van 5 maart 2004 berust op dit onderdeel dan ook niet op een deugdelijke motivering en is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

 

In de rapporten van DGMR van 6 september 2002 en 20 januari 2004 is op basis van akoestisch onderzoek geconcludeerd dat woningbouw ter plaatse mogelijk is, mits ontheffing van de maximale geluidbelasting voor de woningen wordt verleend. De gemeten geluidbelastingen blijven binnen de ontheffingswaarden krachtens de Wet geluidhinder. Gelet ook op de in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan 'Rijswijkseplein' op 3 november 2004 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende ontheffing, mocht verweerder in het bestreden besluit van 5 maart 2004 de verwachting uitspreken dat deze ontheffing kon worden verleend.

 

Uit de rapporten van DGMR van 6 september 2002 en 20 januari 2004 blijkt dat het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de lucht ter plaatse wordt overschreden, groter is dan op grond van het Besluit Luchtkwaliteit 2001 is toegestaan. Blijkens deze rapporten heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de bijdrage van het bouwplan aan de luchtkwaliteit. In haar uitspraak van 14 december 2005 (LJN: AU7993) heeft de Afdeling overwogen dat niet op voorhand kon worden uitgesloten dat het gebruik van de in die procedure aan de orde zijnde bouwweg gevolgen zal hebben voor de luchtkwaliteit. De Afdeling heeft daaraan de conclusie verbonden dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van de bouwweg voor de luchtkwaliteit.

Verweerder is er vanuit gegaan dat het onderhavige bouwplan geen nadelig effect heeft op de luchtkwaliteit. Ter zitting is namens verweerder verwezen naar de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 21 november 2005 (LJN: AU7147). De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omvang van het in geding zijnde bouwplan en de beoogde doelgroepen gebruikers, niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het gebruik van de toren gevolgen zal hebben voor de luchtkwaliteit. Het bouwplan verschilt in omvang en beoogd gebruik wezenlijk van het bouwplan in voornoemde uitspraak van 21 november 2005, een zorgcentrum voor drugs- en alcoholverslaafden, dak- en thuislozen en psychiatrisch pati?nten. Een onderzoek naar het effect van het onderhavige bouwplan op de luchtkwaliteit is ten onrechte niet uitgevoerd. Het bestreden besluit van 5 maart 2004 is daarom op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

 

Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening

 

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening - zoals dit artikel gold tot 3 november 2005 en voor zover van belang - moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto?s in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

Ingevolge het vijfde lid, van dit artikel moet - voor zover van belang - ten behoeve van het stallen of parkeren van fietsen en bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen in voldoende mate zijn voorzien aan, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

In het zesde lid, onder a, van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vijfde lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

 

In het besluit van 27 juni 2003 is op grond van artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening ontheffing verleend ter zake van het ontbreken van de mogelijkheid tot het parkeren van 144 personenauto?s op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

 

Het bouwplan voorziet niet in parkeerruimte voor auto?s ter plaatse. Uitgaande van in de Bouwverordening vermelde parkeernorm van 0,25 parkeerplaats per studentenwoning en ten minste ??n parkeerplaats per 3-kamer-appartement in de vrije sector, zijn voor de woonfuncties in ieder geval 126 parkeerplaatsen benodigd. Derhalve resteren 18 parkeerplaatsen voor de overige functies in het gebouw. Onder de gedingstukken bevinden zich verschillende berekeningen omtrent de oppervlakte aan horeca- en kantoorfuncties in de toren, hetgeen tot een verschil in parkeerbehoefte leidt. Uitgaande van de berekening van 12 december 2003, die naar verweerder ter zitting heeft verklaard moet worden aangehouden, zijn voor deze functies op grond van genoemde parkeernormen 21 parkeerplaatsen benodigd. Dit betekent dat in totaal 147 plaatsen zijn vereist, derhalve meer dan verweerder heeft berekend. Verweerder heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de parkeerbehoefte van deze functies en dientengevolge van het totale bouwplan exact is. Het bestreden besluit van 5 maart 2004 is derhalve op dit onderdeel eveneens onvoldoende gemotiveerd.

 

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de nabijgelegen parkeergarage Laakhaven 60 parkeerplaatsen zijn gehuurd en 60 plaatsen zijn gereserveerd. De overige parkeerplaatsen kunnen volgens verweerder in de directe omgeving van het Rijswijkseplein worden gevonden. Ter onder-bouwing van deze stelling heeft verweerder in zaaknummer 04/858 WW44 een stallingovereenkomst van 9 januari 2004 betreffende 60 parkeerplaatsen en een brief van Q-park van dezelfde datum, die eveneens 60 plaatsen betreft, overgelegd.

Laatstgenoemde brief maakt echter niet duidelijk of daadwerkelijk gedurende langere tijd aanspraak kan worden gemaakt op 60 parkeerplaatsen en onder welke voorwaarden. Voorts staat niet vast dat de benodigde overige parkeerplaatsen in de parkeergarage Laakhaven en op de openbare weg in de directe omgeving van het Rijswijkseplein daadwerkelijk beschikbaar zijn.

Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat in het bestreden besluit van 5 maart 2004 onvoldoende is gemotiveerd waarom ontheffing kon worden verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Dit besluit is derhalve ook op dit onderdeel in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

 

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder ontheffing verleend op grond van artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening van het vijfde lid van dat artikel ten behoeve van ruimte voor het stallen of parkeren van fietsen en bromfietsen. Gebleken is dat het bouwplan voorziet in de aanleg van een kelder waar ten behoeve van de bewoners van de toren 370 fietsen kunnen worden gestald. Tevens zullen op het Stationsplein nabij de Hofwijckstraat 100 openbare stallingplaatsen voor fietsen worden aangelegd. Op grond hiervan wordt geoordeeld dat in voldoende mate is voorzien in de mogelijk-heid tot het stallen van fietsen zowel ten behoeve van bewoners van de toren, als bezoekers en personeel van de in de toren te vestigen functies. Derhalve is voor het stallen van fietsen op goede gronden ontheffing verleend.

 

Omtrent het laden en lossen wordt overwogen dat de thans door verweerder bij besluit van 14 december 2004 gekozen oplossing om de laad- en losplaats zo dicht mogelijk bij de expeditie-ingang van de toren op een calamiteiten-spoor in de Hofwijckstraat te situeren geen ideale, maar, gelet op de voorwaarden die aan het gebruik van die plaats zijn verbonden, niettemin een voldoende adequate voorziening is. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid op grond van artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening ontheffing van het vijfde lid van dat artikel kunnen verlenen ten aanzien van de laad- en los-voorziening.

 

Ontheffing LOS

 

Ingevolge artikel 3 van de LOS, voor zover van belang, is het verboden te bouwen ten behoeve van recreatie-inrichtingen. In artikel 9, eerste lid, van de LOS is bepaald dat verweerder van dit verbod ontheffing kan verlenen, voor zover de bedoelde gebruikswijzigingen niet leiden tot een achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in, of het uiterlijk aanzien van de gebieden waarvoor deze verboden van kracht zijn. Van een achteruitgang is op grond van het tweede lid van dat artikel in ieder geval sprake indien door het verlenen van ontheffing een te grote toename zou ontstaan van het verkeer of de parkeerbehoefte in de directe omgeving.

 

Op grond van het hier van toepassing zijnde beleid van verweerder, opgenomen in hoofdstuk 4.1.1 ?Nieuwe Vestigingen? van de toelichting op de Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a., die ook voor de toepassing van de LOS geldt, kan in woongebieden niet worden gerekend op het verlenen van ontheffingen en wordt in zogenoemde overige gemengde gebieden geen ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 3 van de LOS, tenzij het gaat om een duidelijk positieve bijdrage aan de woon- en werkomstandigheden, bijvoorbeeld een goed restaurant op een geschikte locatie.

 

Het gebied waar het onderhavige perceel is gelegen kan, gelet op de woon -en werkvoorzieningen, alsmede de in het bestemmingsplan ?Het Oude Centrum? aan de Stationsbuurt gegeven bestemmingen, worden aangemerkt als overig gemengd gebied. Dat betekent, gelet op het door verweerder gevoerde beleid, dat slechts ontheffing kan worden verleend indien sprake is van een duidelijk positieve bijdrage aan de woon- en werkomstandigheden.

 

Gelet echter op de ten gevolge van deze voorzieningen te verwachten toename van de parkeerbehoefte in de directe omgeving, waaromtrent hiervoor is overwogen dat onvoldoende vaststaat dat deze parkeerruimte ook daadwerkelijk kan worden gevonden, kan niet worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in de omgeving van het Rijswijkseplein. Hierbij is voorts in aanmerking genomen dat - zoals ter zitting is gebleken - de parkeergarage Laakhaven in het weekeinde niet geopend is voor bezoekers. Dat betekent dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in dit geval ontheffing van artikel 3 van de LOS kon worden verleend. De besluiten van 15 juni 2004 komen derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

 

Overige beroepsgronden

 

Anders dan gesteld heeft het Hoogheemraadschap van Delfland blijkens paragraaf 8 van de bij het bestemmingsplan ?Rijswijkseplein? behorende toelichting op 6 maart 2003 ingestemd met de in het voorontwerp-bestemmingsplan opgenomen waterparagraaf. Voorts heeft de Afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer geconstateerd dat het desbetreffende terrein een lage archeologische waarde heeft. Derhalve is niet gebleken dat om deze redenen geen ontheffing kon worden verleend.

 

In artikel 2.5.15 van de Bouwverordening is bepaald dat bij een woning of woongebouw een erf aanwezig moet zijn dat ten minste een strook grond omvat die:

  1. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en,
  2. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels een diepte heeft van tenminste 5 meter.

 

Ter zitting is gebleken dat de toren naar de mening van verweerder drie voorgevels heeft en geen achtergevels. Op grond van de artikelen 2.5.5 en 2.5.11 van de Bouwverordening is er geen reden om dit standpunt van verweerder voor onjuist te houden. Dit impliceert dat geen ontheffing van artikel 2.5.15 van de Bouwverordening behoefde te worden verleend.

 

Voorts wordt overwogen dat aangelegenheden betreffende de uitvoering van het bouwplan, zoals de (verkeers)veiligheid tijdens de bouw, blijkens bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2005 (LJN: AU7609) in het kader van deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

 

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de Wow, zoals dat artikel is ingevoerd op 1 juni 2003 en luidde tot 14 september 2004, kan de bouwvergunning, in afwijking van artikel 44 tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoor-delingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB).

In artikel 3, eerste lid, van de Wet BIBOB is bepaald dat voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

  1. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
  2. strafbare feiten te plegen.

 

Ingevolge artikel 43 van de Wet BIBOB zijn de bepalingen van de in hoofdstuk 5 genoemde wetten, zoals zij luiden na de inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing op de aanvraag van een beschikking die voor die datum is ingediend, onderscheidenlijk de aanbestedingsprocedure of onderhandeling waarmee voor die datum een aanvang is gemaakt.

In artikel 41 van de Wet BIBOB, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 5 van die wet, is bepaald dat na artikel 44 van de Wow een nieuw artikel 44a wordt toegevoegd.

Nu de Wet BIBOB op 1 juni 2003 in werking is getreden, betekent dit dat artikel 44a van de Wow niet van toepassing is op aanvragen om bouwvergunning die v??r die datum zijn ingediend. Aangezien de bouwaanvraag voor het in geding zijnde bouwplan op 30 december 2002 is ingediend, is artikel 44a van de Wow in dit geval niet van toepassing. Hetgeen hieromtrent is aangevoerd kan reeds hierom niet slagen.

 

Conclusie

 

De beroepen zijn gegrond.

Het bestreden besluit van 5 maart 2004 zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van Awb.

De besluiten van 15 juni 2004 zullen worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het besluit van 22 juni 2004 kan in stand blijven.

Het besluit van 14 december 2004 zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 6:18 van de Awb met uitzondering van de beslissing omtrent de laad- en losvoorziening.

 

Verweerder zal worden opgedragen opnieuw te besluiten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank wijst er hierbij op dat het bestemmingsplan ?Rijswijkseplein? inmiddels in werking is getreden.

 

Verweerder zal in de door eiseres sub 1 gemaakte proceskosten worden veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van drie beroepschriften en het verschijnen ter zitting) 4 punten zullen worden toegekend.

Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van eisers sub 2 is geen aanleiding, nu niet is gebleken dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten hebben gemaakt.

 

Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

 

Beslissing

 

De Rechtbank 's-Gravenhage,

 

RECHT DOENDE:

 

verklaart de beroepen gegrond;

 

vernietigt de bestreden besluiten van 5 maart 2004, 15 juni 2004 en 14 december 2004;

 

draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen;

 

bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres sub 1 de door haar betaalde griffierechten, te weten ? 819,-, (driemaal ? 273,-) vergoedt;

 

bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eisers sub 2 het door hen betaalde griffierecht, te weten ? 136,-, vergoedt;

 

veroordeelt verweerder in de door eiseres sub 1 gemaakte proceskosten tot een bedrag van ? 1288,-, welk bedrag de gemeente Den Haag aan de griffier moet vergoeden.

 

Maak PDF van deze pagina