BRE 177070 WABOA

BRE 17/7070 WABOA - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 25-9-2018

Trefwoord(en)Betrokkene, Zakelijk samenwerkingsverband
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 4 sub c

Uitspraak

Uitspraak

uitspraak van 25 september 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], te Nieuwengein. eiser,

gemachtigde: mr. T.D. Rijs.

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 september 201 7 (bestreden besluit) van

het college inzake de weigering om omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van

woningen en winkelruimten op het perceel Catharinastraat 87-89 te Breda.

Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft ten aanzien van een aantal stukken verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 7 maart 2018 heeft de rechtbank (een andere rechter dan onderhavige) bepaalt dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken niet gerechtvaardigd is. Het college heeft bij brief van 19 maart 2018 de rechtbank bericht dat de stukken bij het beroep mogen worden betrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 juli 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. T.N. Sanders.

Overwegingen

1. Feiten

[naam 2] is eigenaar van de panden gelegen aan de Catharinastraat 87-89 te Breda.

Op 26 juni 2015 heeft eiser een overeenkomst gesloten met [naam 2] inzake de aankoop van de panden op de Catharinastraat 87-89 te Breda (hierna: de koopovereenkomst). In artikel 3.1 is bepaald dat de akte van levering zal worden gepasseerd op 1 juli 2016 of zoveel eerder of later als partijennader overeenkomen. Verder zijn de volgende ontbindende voorwaarden opgenomen:

“16. 1 Deze overeenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk:

a. Op 15 juni 2016 door of namens de daartoe aangewezen gemeentelijke instantie geen onherroepelijke omgevingsvergunning aan koper is verleend voor de onroerende zaak.

h. Op 1 juli 2016 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van € 1.350.000,- (één miljoen driehonderdvijftigduizend euro) plus kosten koper geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende instelling heeft verkregen.

16.2 Deze overeenkomst kan door ieder der partijen worden ontbonden indien verkoper ingevolge de Wet voorkeursrechten gemeenten niet in staal is om de eigendom van de onroerende zaak op de overeengekomen dag over te dragen. Verkoper is verplicht om zodra duidelijk is dat hij ingevolge genoemde wel niet of niet tijdig aan zijn verplichting tot levering kan voldoen, koper daarvan schriftelijk op de hoogte te stellen.

16.3 Partijen verplichten zich over en weer al het redelijke mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde vergunning en/of financiering en/of toezegging(en) en/of andere zaken

te verkrijgen.”

Op 12 april 2016 hebben eiser en [naam 2] een allonge bij de koopovereenkomst ondertekend. Daarin is bepaald dat de eigendomsoverdracht van de panden zou plaatsvinden op 1 maart 2017 of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen. In de allonge zijn de ontbindende voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 16 van de overeenkomst, aangepast aan de hand van de nieuwe datum.

Op 23 mei 2016 heeft eiser (als koper) een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van woningen en winkelruimten op het adres Catharinastraat 87-89 te Breda.

Bij besluit van 13 januari 2017 (primair besluit) heeft het college geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hieraan heeft het college het rapport van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 9 november 2016 ten grondslag gelegd. Volgens het LBB bestaat er ernstig gevaar dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)) en dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Bibob).

Bij het bestreden besluit heeft het college, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond

verklaard.

2. Wettelijk kader

2.1 Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan het bevoegd gezag, in het geval de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10 weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid kan, voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, het LBB om advies worden gevraagd.

2.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen

te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

In het vierde lid is bepaald dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

In het vijfde lid is bepaald dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

3. Omvang geding

3.1 Het college heeft aan het bestreden besluit het advies van het LBB van 9 november 2016 ten grondslag gelegd. De inhoud van het advies wordt door eiser niet bestreden.

3.2 Eiser is het er evenwel niet mee eens dat dit advies had mogen leiden tot weigering van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Volgens eiser is [naam 2] ten onrechte aangemerkt als betrokkene als bedoeld in de Wet Bibob.

3.3 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er twee grondslagen zijn op basis waarvan [naam 2] betrokken mocht worden bij het advies van het LBB.

Volgens het college kan [naam 2] worden betrokken op basis van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo. Ten tweede kan eiser In relatie staan met de strafbare feiten die vermoedelijk door [naam 2] zijn gepleegd.

4. Standpunt eiser (beroepsgronden)

4.1 Eiser heeft aangevoerd dat er ten onrechte advies aan het LBB is gevraagd over de verkoper. Hij heeft van [naam 2] het pand aan de Catharinastraat 87-89 gekocht. De koop is definitief. Omdat eiser voornemens is er wooneenheden te realiseren en verhuren, heeft hij bij de koop bedongen dat hij van de overeenkomst af kan als hij geen vergunning krijgt. Om die reden is het pand nog niet geleverd. Hij heeft het onherroepelijke recht op levering. Bij verlening van de vergunning zal de levering moeten plaatsvinden. Dit is een gebruikelijke constructie. Er is geen enkele aanwijzing dat er sprake is van een stromanconstructie of anderszins dat eiser geen gebruik zal gaan maken van de vergunning en dat deze voor de verkoper zou zijn bedoeld.

4.2 Ten onrechte wordt artikel 2:20 van de Wabo uitgebreid. Anders dan het college en het LBB stellen, is de uitbreiding van artikel 2:20 van de Wabo voor “degene die redelijkerwijs met de aanvrager gelijk kan worden gesteld” wel degelijk expliciet bedoeld om stromanconstructies tegen te gaan. Eiser wijst hierbij op de wetsgeschiedenis. De uitleg over artikel2:20 van de Wabo die de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 17 februari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:895) geeft, is onjuist.

4.3 Er bestaat geen enkel risico voor de theoretische situatie dat een vergunning wordt overgedragen aan een ander. Dan kan het college altijd tot intrekking van die vergunning overgaan indien terzake van die andere persoon een negatief Bibob-advies beschikbaar is, aldus eiser.

5. Standpunt college

5.1 Volgens het college kan [naam 2] op basis van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo gelijk worden gesteld met de aanvrager (eiser). De reden voor de gelijkstelling is dat [naam 2] nog steeds eigenaar is van de panden aan de Catharinastraat 87-89 te Breda. Uit de eigendomsbevoegdheid volgt reeds de doorslaggevende invloed van [naam 2] om de panden te gebruiken/verkopen/verhuren. Ten onrechte acht eiser artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo enkel van toepassing ingeval van een “stromanconstructie”. Dat in de memorie van toelichting aandacht is voor het fenomeen stroman wil nog niet zeggen dat dit limitatief is. Wat in de koopovereenkomst is afgesproken, brengt niet mee dat de levering doorgang zal vinden. Eiser kan de koopovereenkomst ontbinden als op 1 maart 2017 geen onherroepelijke vergunning is verleend. Hiervan is sprake zodat ongeacht de uitkomst van deze procedure eiser de koopovereenkomst kan ontbinden. De stelling dat levering moet plaatsvinden hij vergunningverlening is onjuist. Eiser kan al dan niet in samenspraak met [naam 2] afzien van de eigendomsoverdracht van de panden. In dit kader wijst het college erop dat eiser en [naam 2] in het verleden geen haast hebben getoond bij het bewerkstelligen van de levering van de panden. De koopovereenkomst dateert van 26 juni 2015. Daarin is 1 juli 2016 opgenomen als streefdatum voor de eigendomsoverdracht. Deze datum is bij lange na niet gehaald.

5.2 Het college benadrukt dat het weigeren van een vergunningaanvraag de voorkeur verdient boven het op een later moment intrekken ervan. Bij het intrekken van een vergunning hebben al (vermoedelijk) strafbare feiten plaatsgevonden of is de vergunning reeds gebruikt om (vermoedelijk) wederrechtelijk verkregen gelden te benutten. Het college wenst die situatie te voorkomen.

5.3 Een eenvoudige oplossing voor deze situatie zou zijn wanneer [naam 2] en eiser de levering van de panden aan eiser bewerkstelligen. Dan is [naam 2] geen juridische eigenaar meer en daarmee komt de gelijkstelling te vervallen. Gelet op het limitatief-imperatieve stelsel van de omgevingsvergunning is goed te voorspellen en te beheersen wanneer een omgevingsvergunning wel of niet wordt verleend.

5.4 Mocht de rechtbank niet onderschrijven dat [naam 2] op basis van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo gelijkgesteld zou moeten worden met de aanvrager (eiser) dan is er subsidiair sprake van een samenwerkingsverband tussen eiser en [naam 2]. Een kapitaalverschaffer en de ontvanger daarvan worden geacht een zakelijk samenwerkingsverband te hebben. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1992. Uit het LBB advies blijkt dat eiser financier is van [naam 2]. Ook uit de koopovereenkomst blijkt deze zakelijke relatie. Daarnaast is er een indicatie dat zij op persoonlijk vlak een relatie hebben, namelijk als bridgepartner, aldus het college.

6. Beoordeling rechtbank

6.1 De rechtbank verwijst voor wat betreft de vraag of artikel 2:20, eerste lid, van de

Wabo beperkt is tot stromannen naar de wetsgeschiedenis.

In de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29243, nr. 3) staat op pagina 2 onder meer:

“Daarenboven is met betrekking tot de bouwsector geconstateerd dat in sommige gevallen onvoldoende armslag bestaat om adequaat toepassing aan het BIBOB—instrumentarium te geven, bijvoorbeeld indien naast de aanvrager van de bouwvergunning, die als stroman fungeert, een persoon opereert die in het maatschappelijk verkeer gelijk kan worden gesteld met de formele aanvrager van een bouwvergunning. In het kader van de strekking van de Wet BIBOB bestaat uitdrukkelijke behoefte ten aanzien van ook deze persoon toepassing van het BIBOB-instrumentarium mogelijk te maken.”

Op pagina 4 van dezelfde memorie van toelichting staat voorts:

“Er bestaat gegronde vrees” dat het BIBOB—instrumentarium in sommige gevallen onvoldoende effectief zal kunnen blijken te zijn indien hij een te nemen beschikking op een aanvraag om bouwvergunning onvoldoende zicht bestaat op het totaal van rechtspersonen die daarbij direct zijn betrokken. Veelvuldig is de aanvrager (om overigens bonafide redenen) slechts een kleine, in meerdere of mindere mate administratieve, schakel bij deze zaaksgebonden vergunning en ligt de feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed op de totstandkoming en het gebruik van het bouwwerk bij een ander. Minder bonafide personen kunnen een derde (de stroman) een aanvraag laten doen waardoor zij voor wat betreft het BIBOB—instrumentarium buiten schot blijven. Daar komt bij dat de bouwvergunning na verlening eenvoudig overdraagbaar is.

In het licht hiervan wordt het noodzakelijk geacht niet alleen de toepassing van het BIBOB-instrumentarium mogelijk te maken op de feitelijke aanvrager maar ook op degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld. Met het oog hierop kan op grond van het te wijzigen artikel 44c, van de Woningwet de aangevraagde bouwvergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB, met dien verstande dat voor toepassing van artikel 3 in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld. Daarbij zullen voornoemde criteria met betrekking tot de feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed een belangrijke rol kunnen spelen, naast door de jurisprudentie te omwikkelen criteria.”

Verder staat in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30844, nr. 3) op pagina 108 staat het volgende:

“Artikel 2.23

De reikwijdte van de toetsing aan de in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het

openbaar bestuur (Wet Bibob) opgenomen voorwaarden wordt beperkt tot het bouwen of het

oprichten of veranderen van een inrichting. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige reikwijdte van de Bibob-toetsing voor zover het de te integreren vergunningstelsels betreft. Bij ‘degene die redelijkerwijs met de aanvrager gelijk kan worden gesteld’ moet worden gedacht aan het fenomeen van de stroman. In het Bibob—stelsel moet de vergunning kunnen worden geweigerd als er tegen de aanvrager als zodanig geen uit dat stelsel voortkomende bezwaren bestaan, maar deze handelt voor een opdrachtgever tegen wie zulke bezwaren wel bestaan.”

6.2 De rechtbank is het met het college van oordeel dat uit de voormelde citaten uit de memories van toelichting niet valt op te maken dat met de Wet Bibob enkel is beoogd stromanconstructies tegen te gaan. Er is geen sprake van een limitatieve opsomming, noch blijkt uit de memories van toelichting dat van een dergelijke beperkte uitleg dient te worden uitgegaan. Dat niet van een beperkte uitleg hoeft te worden uitgegaan blijkt ook uit de ruime definitie van het begrip betrokkene in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet Bibob. Hierin is een betrokkene als volgt omschreven: “de aanvrager van een beschikking, de subsidieontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan”. De natuurlijk persoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan is expliciet genoemd als betrokkene.

6.3 Om als betrokkene te worden aangemerkt vereist artikel 2:20, eerste lid, van de Wabo dat een natuurlijk persoon op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs gelijk kan worden gesteld niet de aanvrager van de omgevingsvergunning. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat [naam 2] als formele eigenaar feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed heeft op (de exploitatie van) de panden en dus met de aanvrager gelijk kan worden gesteld. Dat de leveringsbepaling een gebruikelijke is, zoals eiser stelt, maakt niet dat onderzoek achterwege dient te blijven. Het college heeft derhalve in redelijkheid toepassing gegeven aan artikel 2:20, eerste lid, van de Wabo.

6.4 De rechtbank kan het college voorts volgen in zijn standpunt dat er sprake is van een (relevant) zakelijk samenwerkingsverband. Eiser heeft in zijn e-mail van 18 september 2016 aan het LBB gemeld dat hij in totaal drie hypotheken aan [naam 2] heeft verstrekt en dat hij daarna verder is gegaan met onderhandse leningen, die meestal voor een jaar lopen. In de meest recente leenovereenkomst van 4 juni 2016 tussen eiser (schuldeiser) en [naam 2] (schuldenaar) is een totaalbedrag van € 152.500,- aan leningen opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan een zakelijk samenwerkingsverband worden aangenomen.

6.5 Dit leidt de rechtbank tot de slotsom dat het college [naam 2] in redelijkheid als betrokkene in de zin van de Wet Bibob heeft aangemerkt. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS volgt dat het college, gelet op de deskundigheid van het LBB, in beginsel van het Bibob-advies mag uitgaan. Het ligt daarom op de weg van eiser om te onderbouwen dat het college daarvan niet mocht uitgaan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om niet van het Bibob-advies van 9 november 2016 uit te gaan.

6.6 Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid. aanhef en onderdeel a. van de Wet Bibob) en dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3. eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Bibob).

7. Conclusie

7.1 Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7.2 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

Maak PDF van deze pagina