ECLI:NL:CBB:2019:107

ECLI:NL:CBB:2019:107 - College van Beroep voor het bedrijfsleven - 12-3-2019

Trefwoord(en)Betrokkene, Zakelijk samenwerkingsverband, Ernstig gevaar b-grond, Ernstig gevaar a-grond
Toepassingsgebied(en)Transportvergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 3 sub a, Art. 3 lid 4 sub c

Hoofdpunten

Wet Wegvervoer Goederen (WWG) Besluit tot intrekking communautaire vergunning. Bibob-advies.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit tot intrekking van de aan appellante verleende communautaire vergunning het op zijn verzoekdoor het LBB opgemaakteBibob-advies ten grondslag gelegd. Het College stelt voorop datvolgensvaste rechtspraak een bestuursorgaan, gelet op de bijzondere expertise van het LBB, in beginselvan het advies van het LBB mag uitgaan. Op grond van het Bibob-advies moet worden aangenomen dat ernstig gevaar bestaat dat de communautaire vergunning door appellante mede zal wordengebruikt om uit door X gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (de b-grond). De beroepsgrond dat de beweerdelijk door X gepleegde strafbare feiten vrij oud zijn, dat niet vaststaat dat X daarvoor zal worden veroordeeld en dat deze daarom buiten beschouwing moeten blijven, slaagt niet. De op grond van het Bibob-advies aanwezig geachte relatie van appellante met de strafbare feiten bestaat uit een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob tussen X en appellante. De beroepsgrond dat er sinds het Bibob-advies geen sprake meer is van een zakelijk samenwerkingsverband, slaagt niet. Tussen X en appellante heeft een langdurig samenwerkingsverband bestaan die pas na het verschijnen van het Bibob-advies is beëindigd door het uitschrijven van X uit het handelsregister van de KvK als gevolmachtigde van appellante. Dat appellante haar zaken op orde heeft en dat haar in strafrechtelijk opzicht niets is te verwijten, doet geen afbreuk aan de relatie met X. Het College acht het risico reëel dat het samenwerkingsverband herleeft na vergunningverlening, gezien de huidige zakelijke positie van X en zijn (zijdelingse) betrokkenheid bij de zakelijke activiteiten van verschillende naaste familieleden. Daarbij wijst het College erop dat artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob ook ziet op een eerder en inmiddels beëindigd zakelijk samenwerkingsverband. Een aanvullend advies van het LBB in verband met de wijzigingen bij appellante was niet nodig om tot verantwoorde besluitvorming te komen. Het College onderschrijft niet het betoog van appellante dat in dit geval intrekking niet evenredig is. Het College ziet ten slotte geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming vooringenomen en/of in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

Uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2853

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

[naam 1] B.V. te [plaats], appellante

(gemachtigden: mr. K. Vierhouten mr. A.A.M. Dijkman),

en

Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder,

(gemachtigde: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen)

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2018 (bestredenbesluit) heeft verweerder de aan appellante verleende communautaire vergunningvoor beroepsgoederenvervoer over de weg ingetrokken.

Appellante heeft tegen het bestredenbesluit rechtstreeks beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens appellante zijn verder verschenen [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Namens verweerder zijn verder verschenen mr. R.A. Scherpenisse en J. Hop.

Overwegingen

1. De toepasselijke wettelijke bepalingenzijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

2.1. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) heeft op 17 juni 2016 namens appellante een aanvraag ingediend om verlenging van de communautaire vergunning, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Wegvervoer Goederen (WWG).

2.2. In het aanvraagformulier is ingevuld dat [naam 4] de (leidinggevende) vervoersmanager is die de vakbekwaamheid inbrengt. Nadat [naam 4] niet de voor die functie vereiste verklaring omtrent het gedrag heeft kunnen overleggen, is per 1 november2016 zijn dochter[naam 5] ( [naam 5] ) aangesteld als vervoersmanager van appellante. Per 1 september2017 is zij in die functie opgevolgddoor haar partner, [naam 3] .

2.3. Bij besluit van 10 januari 2017 heeftverweerder de aanvraag toegewezen en daarbij aangegeven dat hij na ongeveer zes maanden een onderzoek zal starten om na te gaan of de invulling van de eisen in de praktijk overeenstemt met het bij de aanvraag geschetste beeld.

2.4. Bij brief van 28 november 2017 heeft verweerder, gelet op de wisseling van de vervoersmanager per 1 september 2017 en de (mogelijk) veranderde omstandigheden binnen de onderneming, appellante verzochtom een Bibob-vragenformulier in te vullen. Naar aanleiding van de door appellante verstrekte gegevens heeft verweerderhet Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (LBB) verzocht een advies uit te brengen over de mate van gevaar dat de aan appellante verleende vergunning mede wordt gebruiktom uit gepleegde strafbare feiten verkregenvoordelen te benutten en/of om strafbarefeiten te plegen als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

2.5.1. Het LBB heeft op 7 augustus 2018 advies (Bibob-advies) uitgebracht. Het LBB concludeert daarin dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning door appellante mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (de b-grond). Aan die conclusie is in het Bibob-advies het volgende ten grondslag gelegd.

2.5.2. Er bestaat een ernstig vermoeden dat in de periode van (in ieder geval) 2009 tot en met 2013, kort samengevat, [naam 4] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte (door facturen te vervalsen en deze te verwerken in de administratie van zijn transportonderneming [naam 6] B.V.), voorts dat [naam 4] betrokken was bij het feitelijk leidinggeven aan het vermoedelijk door deze onderneming handelen in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen (door bij de Belastingdienst in die periode namens die onderneming opzettelijk onjuiste aangiften voor omzetbelasting in te dienen waardoor de Belastingdienst ten onrechte ongeveer € 2 miljoen aan omzetbelasting heeft terugbetaald) en dat [naam 4] betrokken was bij witwassen (door de ten onrechte terugontvangen omzetbelasting voorhanden te hebben en de ontvangen bedragen over te boeken naar bankrekeningen waar hij toegang toe had en daarvan grote geldbedragen op te nemen).

2.5.3. Hoewel het voordeel (ruim) vier jaar geleden is gerealiseerd, acht het LBB het voordeel zo groot dat sprake is van een ernstig gevaar dat appellante dat voordeel zal benutten (de a- grond). De beschreven strafbare feiten zijn gepleegd bij een transportonderneming en de vergunning van appellante ziet eveneens op de exploitatie van een transportonderneming. De vergunning maakt het voor appellante mogelijk om de hiervoor beschreven delicten te

plegen (de b-grond).

2.5.4. Appellante staat in relatie tot de strafbare feiten omdat deze vermoedelijk zijn gepleegd door [naam 4] en appellante met hem een zakelijk samenwerkingsverband heeft als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Dit baseert het LBB op het feit dat [naam 4] sinds 1 februari 2014 volledig gevolmachtigde is van appellante, dat hij daarvóór (als directeur en vervoersmanager) ook al betrokken was bij appellante, dat hij is betrokken bij de huidige vergunningsprocedure, en dat hij is gehuwd met [naam 2] , die indirect de enig aandeelhouder en bestuurder is van appellante.

2.6. Bij brief van 7 augustus 2018 heeft verweerder appellante een afschrift van het Bibob-advies gestuurd en haar in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Bij brief van 28

september 2018 heeft appellante een zienswijze ingediend.

2.7.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan appellante verleende vergunning ingetrokken op grond van, onder meer en voor zover nu van belang, artikel 3.4 van de WWG in verbinding met artikel 3 van de Wet Bibob. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het

Bibob-advies ten grondslag gelegd.

2.7.2. Het aan het Bibob-advies ten grondslag liggende onderzoek van het LBB rechtvaardigt volgens verweerder de conclusie dat [naam 4] structureel strafbare feiten pleegt, ook recentelijk. Vanwege het samenwerkingsverband van [naam 4] met appellante bestaat er ernstig gevaar dat de verstrekte vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hiermee wordt voldaan aan de b-grond voor het intrekken van de vergunning. De

ernstige vermoedens van valsheid in geschrifte, belastingfraude en witwassen zien op feiten die zich in 2013 en eerdere jaren hebben voorgedaan, maar gezien het samenwerkingsverband en de ernst en de grote omvang van het geschatte financieel voordeel bestaat er nog immer ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om gelden of geldelijke voordelen uit strafbare feiten te benutten. De gelden kunnen bijvoorbeeld worden besteed aan investeringen in appellante. Hiermee wordt voldaan aan de a-grond voor het intrekken van de vergunning.

2.7.3. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat in het Bibob-advies meer feiten zijn aan te wijzen die steun bieden aan de daarin getrokken conclusie dan de feiten die in het Bibob-advies aan die conclusie uitdrukkelijk ten grondslag zijn gelegd (en welke feiten volgens verweerder op zich al voldoende zijn om die conclusie te dragen). Verweerder wijst erop dat drie bedrijven van [naam 4] , te weten [naam 7] B.V., [naam 8] B.V. en [naam 9] B.V., in mei 2017 failliet zijn verklaard waarbij grote vorderingen van schuldeisers onbetaald zijn gebleven. Blijkens de door verweerder in het geding gebrachte openbare faillissementsverslagen van die bedrijven is de betrokken curator van mening dat er in die bedrijven sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur. Verder heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat uit het Bibob-advies blijkt dat ook [naam 2] niet betrouwbaar is. Zij is niet alleen enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 10] B.V., die enig aandeelhouder en bestuurder is van appellante, maar ook eigenaar van [naam 11] , een bedrijf voor kinderopvang dat lijkt te zijn opgericht als dekmantel. Haar bankrekeningen zijn gebruikt voor het wegsluizen van (ten onrechte) terug ontvangen omzetbelasting. Zij geniet voordeel uit die gelden alleen al doordat zij gehuwd is met [naam 4] . Zij faciliteert mogelijk nieuwe strafbare feiten door [naam 4] . [naam 4] heeft in oktober 2018 een nieuw bedrijf opgericht, [naam 12] B.V., een overslagbedrijf dat is gevestigd op het adres van [naam 11] . Dit bedrijf is mogelijk ook opgericht als dekmantel. [naam 2] was betrokken bij de in mei 2017 gefailleerde bedrijven, omdat deze waren gevestigd op het adres van [naam 11] . Verweerder heeft verder nog naar voren gebracht dat hem kort voor de zitting bekend is geworden dat [naam 2] bij verweerder een aanvraag heeft ingediend voor vijftien vervoersbewijzen voor [naam 13] B.V., waarvan [naam 10] B.V. enig aandeelhouder is. Het bedrijf beschikt blijkens de registers van de RDW over slechts twee voertuigen. De aanvraag lijkt daarom niet zuiver en zal in onderzoek genomen worden.

3. Appellante heeft, voor zover nu van belang, de volgende beroepsgronden aangevoerd.

3.1. De belangrijkste reden voor de conclusie in het Bibob-advies dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, is een nog openstaande zaak betreffende beweerdelijk door [naam 4] gepleegde strafbare feiten in de periode 2009-2013. Het gaat dus om vrij oude feiten. Bovendien wordt op grond van een selectie uit processen-verbaal een conclusie getrokken. Het staat niet vast dat [naam 4] zal worden veroordeeld. De behandeling ter zitting van de strafzaak zal op 18 april 2019 plaatsvinden. Het is in strijd met de beginselen van de rechtsstaat om voorafgaand aan de beoordeling door de strafrechter zulke vergaande conclusies te trekken. Verweerder gaat daarmee op de stoel van de strafrechter zitten.

3.2. Het zakelijk samenwerkingsverband dat ten grondslag ligt aan het advies is gewijzigd tussen het moment van advisering en het moment van besluitvorming. Er is geen sprake (meer) van een samenwerkingsverband met [naam 4] . Appellante staat dus niet (meer) in relatie tot de strafbare feiten waarvan [naam 4] wordt verdacht. [naam 4] heeft zich vanaf begin 2018 zichtbaar teruggetrokken uit de onderneming. Hij is niet langer als contactpersoon vermeld op de website van appellante. Hij is sinds 16 augustus 2018 geen gevolmachtigde van de onderneming meer. Hij staat sinds 15 augustus 2018 niet meer op de loonlijst van appellante. Hij heeft geen enkele zeggenschap meer over de bedrijfsvoering en activiteiten van appellante. Er is een team van zes personen dat naast [naam 2] en [naam 3] de aansturing doet. De vakbekwaamheid wordt al twee jaar niet meer door [naam 4] ingebracht. De wisseling in de functie van vervoersmanager van [naam 5] naar [naam 3] is te verklaren doordat [naam 5] die functie niet langer kon vervullen toen zij zwanger werd. [naam 4] heeft geen financiële inbreng in appellante en er is geen sprake is van een financiële relatie of verstrengeling tussen [naam 4] en appellante. [naam 4] is niet meer betrokken bij de dagelijkse gang van zaken. Er is nog slechts een praktische betrokkenheid die voortkomt uit de familiebanden. [naam 4] heeft het bedrijf zo lang geleid dat hij nog wel emotioneel betrokken is als de familie met hem over het bedrijf spreekt. [naam 4] wordt ook nog wel eens gebeld door klanten, die hij dan verwijst naar [naam 3] . Appellante kan [naam 4] nu eenmaal niet helemaal laten verdwijnen. Appellante maakt sinds 2013 gebruik van de diensten van een onafhankelijke registeraccountant, Steens & Partners. Appellante wordt op financieel gebied gecontroleerd door een externe organisatie en heeft die zaken aantoonbaar op orde. [naam 4] heeft een nieuwe onderneming opgericht, [naam 12] B.V., en houdt zich daarmee bezig en niet meer met appellante. Bij een zakelijk samenwerkingsverband moet het bovendien gaan om een zakelijke relatie en niet om een relatie in de relationele sfeer.

3.3. Naar aanleiding van deze gewijzigde omstandigheden had verweerder bovendien een aanvullend advies moeten vragen aan het LBB op basis van de actuele stand van zaken. Doordat verweerder dat heeft nagelaten is het onderzoek onzorgvuldig en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

3.4. Intrekking van de vergunning enkel op basis van verdenkingen van strafbare feiten (en daarbij gaat het dan met name om een FIOD-onderzoek) is onevenredig en niet proportioneel. Verweerder had een belangenafweging moeten maken. Voor appellante is intrekking van de vergunning desastreus. Een transportbedrijf zonder vergunning heeft geen bestaansrecht meer.

Het personeel zal dan moeten worden ontslagen. Wat deze situatie dan extra wrang zou maken is als de aanhangige strafzaak een vrijspraak of sepot zal opleveren. Het kwaad is dan al geschied. Bovendien kan hooguit worden gesproken van een mindere mate van gevaar. Om dit gevaar weg te nemen of te beperken kan verweerder voorwaarden aan de vergunning verbinden. Hiermee wordt de angst voor het plegen van strafbare feiten weggenomen en wordt voorkomen dat appellante ten onrechte te gronde wordt gericht. Verweerder kan zijn doel bereiken met een minder vergaand middel. Ook daarom is intrekking onevenredig en niet proportioneel.

3.5. Appellante heeft de stellige indruk gekregen dat verweerder koste wat het kost haar vergunning wil intrekken en dat sprake is van vooringenomenheid en handelen in strijd met het verbod van willekeur. In de door verweerder in het geding gebrachte stukken worden zaken aangehaald die niets met het beroep te maken hebben, totaal eenzijdig worden gepresenteerd en alleen lijken te dienen tot stemmingmakerij. De vooringenomenheid van verweerder blijkt ook uit het feit dat niet is gevraagd om een aanvullend onderzoek door het LBB naar de actuele stand van zaken.

4. Het College overweegt het volgende.

4.1. Het College stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan, gelet op de bijzondere expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en de feiten de conclusies kunnen dragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2676). Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:350).

4.2. De beroepsgrond dat de beweerdelijk door [naam 4] gepleegde strafbare feiten vrij oud zijn, dat niet vaststaat dat [naam 4] daarvoor zal worden veroordeeld en dat deze daarom buiten beschouwing moeten blijven, slaagt niet. Met betrekking tot de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob vermelde strafbare feiten is volgens vaste rechtspraak niet vereist dat sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. Een Bibob-advies kan uitgaan van strafbare feiten waarvan niet in rechte is vastgesteld dat zij zijn gepleegd. Wel moet het aannemelijk zijn dat de feiten zijn gepleegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892). Het LBB heeft aan de ernst van het vermoeden dat [naam 4] strafbare feiten heeft gepleegd diverse processen-verbaal en onderzoeksbevindingen uit een met betrekking tot [naam 4] lopend strafrechtelijk onderzoek van de FIOD en informatie van de Belastingdienst ten grondslag gelegd. Gelet hierop en omdat [naam 4] voor die feiten strafrechtelijk wordt vervolgd, waaruit eveneens volgt dat die feiten niet (te) oud zijn, heeft verweerder aannemelijk mogen achten dat [naam 4] zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan die strafbare feiten. Dat een selectieve keuze uit de beschikbare processen-verbaal zou zijn gemaakt, is niet gebleken.

4.3. Bij de beoordeling of zich een gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob voordoet, worden feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene (in dit geval appellante), in relatie staat tot strafbare feiten waarbij op geld waardeerbare voordelen zijn verkregen. Bij de beoordeling of zich een gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob voordoet, worden feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Die relatie tot strafbare feiten kan volgens verweerder in het geval van appellante op grond van het Bibob-advies aanwezig worden geacht en bestaat uit een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob tussen [naam 4] die vermoedelijk de strafbare feiten heeft gepleegd, en appellante. Appellante heeft de in het Bibob-advies opgenomen feiten, ook voor zover het [naam 2] betreft, op zich niet weersproken. Het College volgt, mede gelet op de zakelijke en persoonlijke relatie tussen [naam 4] en [naam 2] , verweerder in het standpunt dat op grond van het Bibob-advies moet worden aangenomen dat zich een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob voordoet.

4.4. De beroepsgrond dat sinds het Bibob-advies de feiten drastisch zijn veranderd en dat er sindsdien geen sprake meer is van een zakelijk samenwerkingsverband, slaagt ook niet. Onbestreden is dat tussen [naam 4] en appellante een langdurig samenwerkingsverband heeft bestaan. Die samenwerking is pas op 16 augustus 2018, na het verschijnen van het Bibob-advies, beëindigd door het uitschrijven van [naam 4] uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel als gevolmachtigde van appellante. [naam 4] is betrokken bij de in geding zijnde vergunningsprocedure. [naam 4] is gehuwd met [naam 2] , die bestuurder van appellante is. De dochter van [naam 4] is hem opgevolgd. Korte tijd daarna is de partner van de dochter, [naam 3] , de vervoersmanager geworden. Gelet op deze nauwe familiebanden en de zeer intensieve betrokkenheid in het nabije verleden van [naam 4] bij appellante, is de (recente) uitschrijving van [naam 4] als gevolmachtigde uit het handelsregister en het recentelijk aanstellen van een ander dan [naam 4] als (gevolmachtigd) vervoersmanager, onvoldoende om niet langer een zakelijk samenwerkingsverband aanwezig te achten. Wat appellante over de in de praktijk nog steeds bestaande betrokkenheid van [naam 4] bij appellante heeft verklaard, sluit dat evenmin uit. Dat appellante haar zaken op orde heeft en dat haar in strafrechtelijk opzicht niets is te verwijten, doet geen afbreuk aan de relatie met [naam 4] . Het College wijst daarnaast op de omstandigheid dat met het zakelijke samenwerkingsverband uit het recente verleden een groot financieel voordeel gemoeid was, dat naar het zich laat aanzien ook zijn weg heeft gevonden naar andere bedrijven waarbij [naam 4] en naaste familieleden zijn betrokken. Ook acht het College het risico reëel dat het samenwerkingsverband herleeft na vergunningverlening, gezien de huidige zakelijke positie van [naam 4] en zijn (zijdelingse) betrokkenheid bij de zakelijke activiteiten van verschillende naaste familieleden. Daarbij wijst het College erop dat artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob ook ziet op een eerder en inmiddels beëindigd zakelijk samenwerkingsverband. Daaraan ligt, blijkens de volgende passage uit de memorie van toelichting bij de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob (Tweede Kamerstukken, vergaderjaar 2010-2011, 32 676, nr. 3) een duidelijke keuze van de wetgever ten grondslag:

“Gelet op de huidige formulering van het zakelijke samenwerkingsverband dient dit samenwerkingsverband op het moment van de besluitvorming nog te bestaan. Uit de praktijk is echter gebleken dat zich ongewenste zakelijke constructies kunnen voordoen die onder de huidige redactie van artikel 4, derde lid, onderdeel c, niet in de beoordeling kunnen worden betrokken. Dit acht ik onwenselijk. Het zakelijk samenwerkingsverband is in de wet opgenomen om schijnconstructies te ondervangen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 884, nr. 3, blz. 63). Met het oog daarop is het gewenst dat ook zakelijke samenwerkingsverbanden uit het verleden in de beoordeling kunnen worden betrokken. Gedacht moet worden aan zakelijke samenwerkingsverbanden die weliswaar niet meer actueel zijn, maar de aanvrager bijvoorbeeld wel financieel voordeel hebben opgeleverd of het risico in zich hebben dat het zakelijk samenwerkingsverband herleeft nadat de vergunning is verstrekt. Uiteraard dient het bestuursorgaan te motiveren dat een zakelijk samenwerkingsverband uit het verleden voor de toekomst een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob kan opleveren. De duur van het samenwerkingsverband en de kennis die betrokkene had van het strafrechtelijke verleden van de samenwerkingspartner kunnen hierbij onder meer een rol spelen. De formulering van artikel 3, vierde lid, onder c, wordt aangepast, in die zin dat ook zakelijke samenwerkingsverbanden uit het verleden een rol kunnen spelen bij de vaststelling of iemand in relatie staat tot strafbare feiten.”

4.5. De gewijzigde omstandigheden tussen het uitbrengen van het Bibob-advies en het bestreden besluit heeft verweerder in zijn besluitvorming uitdrukkelijk betrokken en hij heeft dat ook op toereikende wijze gedaan. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3.4, tweede lid, van de WWG (aanvullend) advies te vragen aan het LBB over de mogelijke betekenis van die wijzigingen voor het advies. Dat hoefde verweerder ook niet te doen, omdat verweerder over alle voor de besluitvorming relevante informatie beschikte en een aanvullend advies van het LBB niet nodig was om tot verantwoorde besluitvorming te komen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.6. In artikel 3.4, eerste lid, van de WWG is bepaald dat verweerder overgaat tot intrekking van de communautaire vergunning in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bevat de voorwaarde dat intrekking slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het de b-grond betreft, de ernst van de strafbare feiten. Het College onderschrijft niet het betoog van appellante dat in dit geval intrekking niet evenredig is. Verweerder heeft in de gegeven omstandigheden het gevaar dat uit gepleegde strafbare feiten voordelen worden behaald en mogelijk strafbare feiten worden gepleegd, zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellante bij voortzetting van haar onderneming. In artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob is bepaald dat voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar maar van minder gevaar, het betrokken bestuursorgaan (in dit geval verweerder) aan de beschikking (in dit geval de communautaire vergunning) voorschriften kan verbinden gericht op het wegnemen of het beperken van dergelijk gevaar. In wat hiervoor is overwogen ligt besloten dat het College van het standpunt van verweerder onderschrijft dat wel sprake is van ernstig gevaar. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4.7. Het College ziet ten slotte geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming vooringenomen en/of in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Appellante heeft geen concrete gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt dat daarvan sprake is geweest. Dat verweerder in beroep twee verschillende versies (volgens verweerder een kladversie en een definitieve versie) van eenzelfde productie met zijn standpunt heeft ingediend, waarbij in eerste versie wel en in de tweede versie niet is vermeld dat verweerder de zaak hoe dan ook wenst te winnen, is voor een dergelijk oordeel niet voldoende. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.8. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. van Duuren en mr. E.J. Daalder in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

w.g. T.G.M. Simons w.g. J.W.E. Pinckaers

Bijlage

Wet wegvervoer goederen

Artikel 3.4

1. De NIWO gaat over tot schorsing of intrekking van de communautaire vergunning, in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

2. Voordat de NIWO toepassing geeft aan het eerste lid, kan zij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (…) om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.

(…).

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4 De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, (...)

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5 De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6 (...)

7 Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

8 (…).

Artikel 9

1. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid (…).

Maak PDF van deze pagina