ECLI:NL:GHAMS:2019:3112

ECLI:NL:GHAMS:2019:3112 - Gerechtshof Amsterdam - 30-7-2019

Trefwoord(en)Ernstig gevaar b-grond, Vragenformulier, Strafbaar feit ter verkrijging
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 6

Hoofdpunten

Hof veroordeelt bestuurder van een BV tot twee maanden onvoorwaardelijke

gevangenisstraf wegens valsheid in geschrift bij invullen Bibob-formulier van de gemeente Amsterdam.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000169-19

Datum uitspraak: 30 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer

13-706289-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955, adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 januari 2018 te Amsterdam, althans elders in Nederland, - een formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de gemeente Amsterdam, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij / is valselijk in voornoemd geschrift de vraag:

Is of zijn de aanvrager(s), opdrachtgevers, bestuurders, aandeelhouders of vennoten in de afgelopen vijf jaar:

- veroordeeld

- een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie

- in aanraking geweest met politie of justitie?

met "Nee" beantwoord, terwijl hij wist dat die opdrachtgever(s) in die periode was/waren verwikkeld in een strafrechtelijke procedure en/of heeft hij voornoemd geschrift voorzien van zijn, verdachtes, handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proces-economische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Primair heeft zij aangevoerd dat het gegeven antwoord door de verdachte niet onjuist is, omdat vraag 8B niet ziet op buitenlandse justitiecontacten.

Subsidiair heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op de vermeende onjuistheid, want uit de latere aanpassing van het formulier per augustus 2018 en de daaraan voorafgaande discussies valt af te leiden dat hij de vraag kon opvatten als alleen betrekking hebbend op Nederland en in die zin de door hem gekozen ontkennende beantwoording verontschuldigbaar is.

Het hof overweegt als volgt. In het kader van een vergunningaanvraag heeft de verdachte op 30 januari 2018 te Amsterdam een zogenoemd Bibob-formulier ondertekend. Op dit formulier wordt als opdrachtgever onder anderen de naam [naam] genoemd. De vraag of de opdrachtgever in de afgelopen vijf jaar is veroordeeld, een schikking is aangegaan met het openbaar ministerie of in aanraking is geweest met politie of justitie (vraag 8B), is beantwoord met: “nee”. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het formulier hem is voorgelezen, deze vraag met “nee” is beantwoord en dat hij het formulier daarna heeft ondertekend. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de familie [naam] in Spanje een schikking van 92 miljoen is overeengekomen met het Spaanse openbaar ministerie vanwege belastingfraude. De verdediging heeft per appelschriftuur een veroordelend vonnis (33/16) van het Nationaal Gerechtshof (Audiencia Nacional) in Madrid van 12 september 2016 overgelegd, waarin vorenbedoelde schikking is bekrachtigd – zo begrijpt het hof – en waaruit blijkt dat [naam] strafrechtelijk verantwoordelijk is als mededader van vier delicten tegen de openbare financiën.

Het is evident dat in het kader van het integriteitsonderzoek waarvan het invullen van het Bibob- formulier deel uitmaakt, ook buitenlandse veroordelingen en schikkingen moeten worden gemeld. Daarnaast is de vraag of een van de betrokken personen in aanraking is geweest met politie of justitie zo breed geformuleerd dat ook veroordelingen of schikkingen in het buitenland daaronder vallen. Dat in de toelichting op de volgende vraag (9) op het formulier in de marge een nadere precisering staat met betrekking tot betrokkenheid “bij andere Nederlandse en/of buitenlandse ondernemingen” maakt juist, nu in de marge bij vraag 8 geen bijvoeglijke naamwoorden worden gebruikt, het gepretendeerde onderscheid ongeloofwaardig. De verdachte heeft, in de wetenschap dat dat niet juist was, vraag 8B met “nee” beantwoord en daarvoor getekend. In dat licht bezien kan van verontschuldigbaarheid dan ook geen sprake zijn. Daarmee is (tevens) het oogmerk om dat antwoord als echt en onvervalst te presenteren gegeven. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 januari 2018 te Amsterdam, een formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de gemeente Amsterdam, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers is valselijk in voornoemd geschrift de vraag:

Is of zijn de aanvrager(s), opdrachtgevers, bestuurders, aandeelhouders of vennoten in de afgelopen vijf jaar:

- veroordeeld

- een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie

- in aanraking geweest met politie of justitie?

met "Nee" beantwoord, terwijl hij wist dat die opdrachtgever in die periode was verwikkeld in een strafrechtelijke procedure en heeft hij voornoemd geschrift voorzien van zijn, verdachtes, handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, vanwege de vraagstelling in het Bibob-formulier, de gebleken onduidelijkheid daarover en het feit dat er een nieuw formulier is ingevoerd in samenhang met het feit dat de gemeente desondanks aangifte heeft gedaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht op grond van dezelfde feiten en omstandigheden een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op een formulier van de gemeente Amsterdam valse informatie te verstrekken, namelijk dat geen van de opdrachtgevers in de afgelopen vijf jaren in aanraking zijn geweest met politie en justitie terwijl dat wel zo was. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in dergelijke stukken moet kunnen worden gesteld geschaad. De omstandigheid dat de gemeente Amsterdam het bewuste formulier nadien op onderdelen tekstueel heeft aangepast, betekent niet dat het formulier ten tijde van het ondertekenen door de verdachte niet duidelijk was. Het hof ziet in het betoog van de verdediging op dit punt geen aanleiding af te wijken van wat doorgaans voor dergelijke valsheid in geschrift aan straf wordt opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende en gelet op het belang van het integriteitsonderzoek, de gevorderde en de door de politierechter opgelegde straf – een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden – passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.M. van der Nat, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2019.

Mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Maak PDF van deze pagina