ECLI:NL:RBGEL:2018:5221

ECLI:NL:RBGEL:2018:5221 - Rechtbank Gelderland - 7-12-2018

Trefwoord(en)Zakelijk samenwerkingsverband, Ernstig gevaar b-grond, Ernstig gevaar a-grond
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning coffeeshop
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 4 sub c

Hoofdpunten

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester van Doetinchem in redelijkheid de aanvraag voor een exploitatievergunning en een gedoogverklaring voor een coffeeshop heeft afgewezen.
De burgemeester heeft het besluit gebaseerd op een advies van het Landelijk Bureau Bibob. De aanvrager heeft een zakelijk samenwerkingsverband met iemand die is veroordeeld voor twee overtredingen van de Opiumwet. Daarom bestaat er een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning en de gedoogverklaring mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4025

uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Huertas-Mulckhuyse),

en

de burgemeester van de gemeente Doetinchem te Doetinchem, verweerder.

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer)

Procesverloop

Eiser heeft op 15 september2015 bij verweerder een exploitatievergunning en gedoogverklaring aangevraagd voor de exploitatie vancoffeeshop [naam] aan de [locatie]in [woonplaats].

Bij brief van 20 juni 2016 heeftverweerder aan eiser meegedeeldvoornemens te zijn de aanvraag af te wijzen.

Hiertegen heeft onderanderen eiser op 15 juli 2016 een zienswijze ingediend.

Naar aanleiding van de zienswijzen heeft het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) op 23 november 2016 een advies uitgebracht.

Met inachtneming van het hiervoor aangehaalde advies heeft verweerder bij brief van

5 december2016 aan eiser opnieuw meegedeeldvoornemens te zijn de aanvraag af te wijzen.

Hierop heeft eiser wederom zijn zienswijzegegeven, waarop verweerder heeft gereageerd.

Bij besluit van 23 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2017 (het bestredenbesluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht ten aanzien van een deel van de gedingstukken, genummerd

B4, B5/12 en B8 te bepalen dat alleen de rechtbankhiervan kennis mag nemen.

De rechtbank heeft op 18 september 2017 overwogen dat deze stukken vallenonder het bereik van artikel 28 van de Wet bevorderingintegriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en dat de stukken B5/12 en B8 al in het bezit van eiser zijn. Ten aanzien van diestukken en gedingstuk B4 heeft de rechtbank beslist dat dit niet valt onder het bereik van artikel 28 van de Wet Bibob. Beperking van de kennisneming van deze gedingstukken is niet gerechtvaardigd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek terzitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 17/4096 en 17/4097.

Eiser is ter zitting verschenen,bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen en A.Mulling, werkzaamals juridisch beleidsmedewerker bij de gemeente Doetinchem.

Overwegingen

Inleiding

1. De rechtbank verwijst naar de bijlage bij dezeuitspraak, waarin de toepasselijke regels uit de Wet Bibob zijn opgenomen.

2.1 Allereerst beoordeelt de rechtbank of eiser terecht is vrijgesteld van de betaling van griffierecht. Als de heffing van hetwettelijke verschuldigde griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk ofuiterst moeilijkmaakt om gebruik te maken van een bestuursrechtelijke rechtsgang, wordt aangenomen dat de betrokkenemet het achterwegelaten van betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld inartikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2 Dat is het geval als de rechtzoekende aannemelijk maakt dat hij beschikt over een netto-inkomen dat minder bedraagtdan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en niet over vermogen beschikt. De periode waarover de hoogte van het inkomen wordtbeoordeeld, vangt aan nadat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk moet zijnbetaald. Op laatstgenoemde datum moet hetinkomen dusminder dan 90 procent van de bijstandsnorm bedragen of de betrokkeneniet over vermogen beschikken.

2.3 Eiser heeft aangevoerddat hij sinds maart 2018 geen inkomsten heeft gehad en dat hij leeft van privéleningen en voorschotten. Uit het door eiser overgelegde bankafschrift over de maand augustus 2018 blijkt dat hij een negatief saldo op zijn rekening heeftvan € 5.705,88. Verder heeft eiser een schrijven van hem aan [betrokkene] overgelegd van 6 augustus 2017, waarin hij [betrokkene] sommeert een bedrag van € 20.142,59 aan achterstallig loon uit te betalen.Op grond van deze bewijsstukken is de rechtbank van oordeel dat eiser terecht is vrijgesteld van betalingvan griffierecht.

3. Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbankuit van het volgende.

De exploitatievergunning en gedoogverklaring voor de coffeeshopzijn in het verleden al meerdere keren aangevraagd en verstrekt, telkens voor bepaaldetijd. Omdat de geldigheidsduur op 1 januari 2016 verstreek, heeft eiser op 15 september2015 een nieuwe vergunning en gedoogverklaring bij verweerder aangevraagd voor de exploitatie van de coffeeshop op het adres [locatie] in [woonplaats] . Op dezelocatie is de exploitatiebegin 2017 gestaakt. Ditwas naar aanleiding van een door verweerder opgelegde last onder bestuursdwang van 8 februari2017. De rechtbank neemt aan dat eiser echter procesbelang heeft behoudenbij de beoordeling van het geschil, aangezieneiser hier nog steeds legaal een coffeeshop wil exploiteren.

Omvang geding

4. In geschil is de vraag of verweerder de vergunning en gedoogverklaring voor de exploitatievan de coffeeshopop de hiervoor genoemde locatie in [woonplaats] in redelijkheid heeft geweigerd. De door eiser(eveneens) gewenste exploitatie opeen andere locatie, voor zover de [locatie]niet mogelijk mocht zijn, valt buiten de omvang van dit geding.

De grondslag van het bestreden besluit

5.1 Verweerder heeft aan zijn weigering -en de handhaving hiervan in het bestreden besluit - de negatieve adviezen van het Bureau van 11 september 2015en 23 november2016 ten grondslag gelegd. Verder heeft verweerder voor de motiveringvan het bestreden besluit verwezen naar het advies van de CommissieBezwaarschriften van 1 juni 2017.

5.2 Volgens verweerder bestaat ernstig gevaar dat de exploitatievergunning en gedoogverklaring mede zullen worden gebruiktom uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten alsmede om strafbare feiten te plegen, in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob.

De adviezen van het Bureau

5.3 In het advies van 11 september 2015 komt het Bureau tot de conclusie dateiser in een zakelijk samenwerkingsverband staat met [betrokkene]. De reden hiervan is dat [betrokkene] een meerderheidsbelang heeft in [naam] (70%van de aandelen).Verder heeft [betrokkene] het vruchtgebruik van de aandelendie eiser in de [naam] heeft. Tenslotte is [betrokkene] eigenaar van het pand waarin de coffeeshopis gevestigd en verhuurt hij het pand aan eiser.

Volgens het advies is [betrokkene] bij niet onherroepelijk vonnis van 26 juni 2014 veroordeeld tot twaalfmaanden gevangenisstraf wegens twee strafbare feiten, te weten: het vervoeren en afleverenvan hennep in de periode van 1 augustus2011 tot en met 4 november 2012 en het aanwezig hebben van hennep op 5 november 2012. Het Bureau acht daarom ernstig gevaar aanwezig om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen middelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onderdeela, van de Wet Bibob. Het Bureau vindt verder dat sprake is van ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning en gedoogverklaring zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onderdeel b, van de Wet Bibob, gelet op het herhaaldelijk handelen van [betrokkene] in strijd met de Opiumwet in de hiervooraangehaalde periode en de omstandigheid dat de strafbare feiten samenhangen met de activiteiten waarvoorde vergunning en gedoogverklaring zijn aangevraagd.

5.4 In het aanvullendadvies van 23 november 2016 van het Bureau is vermeld dat [betrokkene] bij arrest van het Gerechtshof in Arnhem op 9 november2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maandenvoor deze overtredingen van de Opiumwet. De omstandigheid dat een cassatieprocedure is gestart bij de Hoge Raad der Nederlanden is voor het Bureau geen reden om zijn advies van 11 september 2015 te wijzigen. HetBureau ziet in het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbarefeiten en de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering heeft gedaan ook geen aanleiding voor wijziging van zijn eerder advies.

Zakelijk samenwerkingsverband

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder nietheeft voldaan aan zijn vergewis-en motiveringsplicht en dat hij dus ook ten onrechte heeft aangenomen dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen hem en [betrokkene]. In dit verband heeft eiser betoogd dat verweerder bij zijn beslissingde historie tussen verweerder en eiser had moeten betrekken. Volgens eiser zijn er al sinds 2011verschillende gesprekken geweest tussen medewerkers van verweerdersgemeente en eiser, onder meer gericht op de verhuizing van de coffeeshop. Gelet op deze geschiedenis had verweerder moeten en kunnen weten dat eiser al het mogelijke heeft gedaan om de band met [betrokkene] te verbreken. Volgens eiser kan hem daarom ook niet worden verweten dat het in het verleden niet mogelijk was het zakelijksamenwerkingsverband met[betrokkene] geheel te verbrekenen tegelijkertijd de exploitatie van de coffeeshop voort te zetten. Daartoe heeft hij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 26 augustus20151. Eiser heefttevens verwezen naar de akte van de aandelenoverdracht van 19 juli 2017, waarbij de aandelen zijnverkocht aan [bedrijf] Evenmin bestaat er nog een huurovereenkomst tussen eiser en [betrokkene]. Er bestaat dus geen zakelijke of privébandmeer met [betrokkene].

7. Verweerder heeft zich hieroverop het standpunt gesteld dat het moment vanhet nemen van hetbestreden besluit bepalendis voor de vraag of sprake is van een zakelijksamenwerkingsverband. Ten tijde van het bestredenbesluit was [betrokkene] middellijk aandeelhouder van [naam] en had hij het vruchtgebruik van eisers aandelen. Destijds was [betrokkene] ook eigenaar en verhuurder van het pand waarin de coffeeshop wasgevestigd. Volgens verweerder heeft eiser geenconcrete pogingenondernomen om met [betrokkene] te breken. De gesprekken diemet eiser hebben plaatsgevonden, gericht op een eventuele verhuizing van de coffeeshop, waren ingegeven door klachten over overlast die bij verweerder waren ingediend en hebben volgens verweerder niet op eisers initiatief plaatsgevonden. Bovendien waren deze niet gericht op het verbreken van de samenwerking met [betrokkene].

8.1 Uit het advies van het Bureau van 11 september2015 blijkt dat [betrokkene] ten tijde van het bestreden besluit middellijkzeggenschap over de coffeeshop had, omdat hij via [bedrijf],dochter van [bedrijf] waarvan [betrokkene] enig bestuurderis, 70% van de aandelen bezit. Verder heeft [betrokkene] het vruchtgebruik over de resterendeaandelen die in handen zijn van eiser. Het vestigingspand was eigendomvan [betrokkene] en hij verhuurde dit aan eiser. Deze feiten die in het advies van het Bureau zijn opgenomen,worden op zichzelf ook niet door eiserbestreden. Verweerder mag zijn besluit in beginsel op het advies van het Bureau baseren2.

Uit de in rechtsoverweging 2.3 aangehaalde brief van eiser van 6 augustus 2017 blijkt bovendien dat eiser een loonvordering heeft op [betrokkene].

8.2 Aan de hand van de hiervooraangehaalde feiten neemt de rechtbankaan dat er een zakelijke relatie bestond, gericht op samenwerking met een zeker duurzaam en structureel karakter3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomendat er ten tijde van het nemen van het bestredenbesluit een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en [betrokkene] bestondin de zin vanartikel 3, vierde lid,aanhef en onder c, van de Wet Bibob.

8.3 Het betoog van eiser dat verweerderzich in het besluit niet heeft mogen baseren op het advies, omdat het zakelijk samenwerkingsverband met [betrokkene] niet aan hem kan worden verweten, volgt de rechtbank niet. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015het geval is, is de betrokkenheid van [betrokkene] bij de exploitatie van de coffeeshop niet beperkt tot het zijn van huurder en de vermelding van zijn naam op de exploitatievergunning. In de zaak waarover de aangehaalde uitspraak gaat, heeft de betrokkenealles gedaan om de zakelijke band met de vennoot te verbreken enwerd de vennoot alleen nog op de exploitatievergunning vermeld omdat het anders niet mogelijkwas legaal een coffeeshopte exploiteren: het verwijderen van de vennoot zou daar tot gevolg hebben dat een nieuwe vergunning in verband met het uitsterfbeleid zou worden geweigerd. Die situatie wijkt af van de zakelijkerelatie die tussen eiser en [betrokkene] bestaat. In de onderhavige zaak was er geen sprake van een uitsterfbeleid. Daarnaast zijn door eiser geen concrete stappen gezet om de samenwerking met [betrokkene] te verbreken. De enige concretestap die is gezet, is de overdrachtvan de aandelen, endie heeft pas plaatsgevonden na het bestredenbesluit. De gesprekken dieeiser met ambtenaren van de gemeente heeft gevoerd, hebben, los van de precieze inhoud ervan, niet geleid tot concrete stappen om de samenwerking met [betrokkene] te verbreken.

Uit de stellingen vaneiser valt voorts niet af te leiden dat is toegezegd dat een exploitatievergunning en gedoogverklaring zou worden verleend voor de in geding zijnde locatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen. Van concrete en ondubbelzinnige toezeggingen gericht op het legaal exploiteren van de coffeeshop aan de [locatie] is de rechtbank nietgebleken. Het verzoek van eiser om ambtenarenals getuige te horen wijst de rechtbankaf. Ook als zij conform destellingen van eiser verklaren, baat hem dat niet.

Ernstig gevaar

9.1 Eiser betwist dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob.

9.2 Verweerder heeftzich hierover op het standpuntgesteld dat er ernstig gevaar bestaat dat uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen kunnen worden benut als de exploitatievergunning en gedoogverklaring zouden worden verleend. Ook kan nog steeds geprofiteerd worden van een zakelijksamenwerkingsverband in het verleden.

9.3 De rechtbank overweegt dat bij de beoordelingof zich een gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob voordoet, feiten en omstandigheden worden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoedendat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten waarbij op geldwaardeerbare voordelen zijn verkregen. Daarbij wordt ook de grootte van de verkregen voordelen betrokken.

Bij de beoordeling of zich een gevaar als bedoeld in onderdeelb van dat artikellid voordoet, worden feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die

overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Aan het zogenoemde samenhangcriterium is in de meeste gevallen voldaan als een vergunning het plegen van bepaalde strafbare feiten kan faciliteren4.

9.4 Vast staat dat [betrokkene] herhaaldelijk in strijd met de Opiumwetheeft gehandeld. Zoals de rechtbank hiervoorbij punt 8.2 heeft overwogen,bestaat er een zakelijk samenwerkingsverband met eiser. Volgens hetadvies van het Bureau is er sprake van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob omdat hetfinancieel voordeelin verband met het gepleegdestrafbaar feit groot tot zeer groot is. Verder is aan het samenhangcriterium voldaan, omdat [betrokkene] zich in de uitoefening van hetbedrijf schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de Opiumwet. De branche van coffeeshops is naar zijn aard faciliterend voor de handel in drugs5.

9.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op basis van de adviezen van het Bureau op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Alles overziende heeft verweerder de exploitatievergunning en gedoogverklaring in redelijkheid op grond van artikel 3 van de Wet Bibob geweigerd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en

mr. drs. J.H. van Breda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: wettelijk kader

In artikel 3 van de Wet Bibob is het volgende bepaald.

1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7. Voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

8. In dit artikel wordt mede verstaan onder strafbaar feit een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

1 Uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2721.

2Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3113.

3Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2188.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2188.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0469.

Maak PDF van deze pagina