ECLI:NL:RBMNE:2018:6099

ECLI:NL:RBMNE:2018:6099 - Rechtbank Midden-Nederland - 7-12-2018

Trefwoord(en)Onvergunde exploitatie
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub a, Art. 3 lid 1 sub b

Hoofdpunten

Deze uitspraak ziet op twee beroepen die gaan over de Drank- en Horecawet (DHW) en twee DHW-vergunningen die door de burgemeester van Urk zijn afgegeven. Het gaat om het beroep van de uitbater van een horeca-inrichting op Urk tegen de intrekking van een in 2017 verleende DHW-vergunning en het beroep van een andere horeca-uitbater tegen de in 2018 alsnog voor die horeca-inrichting verleende DHW-vergunning. De aanleiding voor de intrekking was dat bij de aanvraag van de vergunning méér horecaruimte was opgegeven dan er was. De rechtbank vindt dat de vergunning uit 2017 niet moest worden ingetrokken, maar moest worden gewijzigd naar de kleinere oppervlakte. De rechtbank wijzigt deze vergunning naar de kleinere oppervlakte. De bezwaren van de andere horeca- uitbater tegen de verleende vergunning komen erop neer dat de uitbater van de horeca-inrichting en de horeca-inrichting zelf niet aan de eisen van de DHW voldoen. De rechtbank vindt die bezwaren niet terecht. Dat betekent de vergunning uit 2017 niet ingetrokken moest worden en dat de nieuwe vergunning eigenlijk niet verleend hoefde te worden. Door de onterechte intrekking van de vergunning uit 2017 heeft de uitbater van een horeca-inrichting omzet gemist. Het verzoek om schadevergoeding voor gederfde omzet wijst de rechtbank af omdat dat verzoek in deze procedure niet is onderbouwd.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/838 en UTR 18/2948

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2018 in de zaken tussen

[Partij X] , h.o.d.n. [handelsnaam van Partij X] , te [vestigingsplaats] , eiseres, hierna: [Partij X] (gemachtigde: mr. R.J. Dijks), en

[Partij Y] , h.o.d.n. [handelsnaam van partij Y] , te [vestigingsplaats] , eiser, hierna: [Partij Y] (gemachtigde: mr. J. Bos),

en

de burgemeester van Urk, verweerder

(gemachtigden: mr. G.J. Voorn en mr. J. van den Heuvel).

In de zaak tussen [Partij X] en verweerder heeft [Partij Y] als derde-partij deelgenomen. In de zaak tussen [Partij Y] en verweerder heeft [Partij X] als derde-partij deelgenomen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan [Partij X] op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) een vergunning verleend (DHW-vergunning).

Tegen het primaire besluit 1 is door [Partij Y] een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard en de aan [Partij X] verleende DHW-vergunning ingetrokken. Verweerder heeft dat gedaan bij twee afzonderlijke besluiten van 25 januari 2018, één gericht aan [Partij X] (het bestreden besluit 1.1) en één gericht aan [Partij Y] (het bestreden besluit 1.2).

[Partij X] heeft tegen het bestreden besluit 1.1 beroep ingesteld (UTR 18/838). Dit beroep wordt geacht tevens te zijn gericht tegen het bestreden besluit 1.2.

Verweerder heeft in deze zaak een verweerschrift ingediend (verweerschrift 1).

Bij besluit van 28 juni 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan [Partij X] opnieuw een DHW- vergunning verleend.

[Partij Y] heeft tegen het primaire besluit 2 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ingestemd met het verzoek van [Partij Y] om rechtstreeks beroep en heeft het bezwaarschrift op grond van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank doorgezonden. Het bezwaarschrift is door de rechtbank als beroepschrift in behandeling genomen (UTR 18/2948). Het primaire besluit 2 wordt verder aangeduid als: het bestreden besluit 2.

Verweerder heeft ook in deze zaak een verweerschrift ingediend (verweerschrift 2).

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 september 2018. [Partij X] en [Partij Y] zijn verschenen als eiser(es) respectievelijk derde-partij, bijgestaan door hun gemachtigden. Ter zitting is ook verschenen [A] , de echtgenote van [Partij Y] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep van [Partij X] met zaaknummer UTR 18/838

1. Op 13 maart 2017 heeft [Partij X] een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning op grond van artikel 3 van de DHW voor het uitoefenen van een horecabedrijf in het perceel [straatnaam] [nummer] , nummer [nummer] te [vestigingsplaats] . Bij het primaire besluit 1 is de gevraagde DHW- vergunning aan [Partij X] verleend. [Partij Y] heeft een bezwaarschrift tegen het primaire besluit 1 ingediend. [Partij Y] oefent met zijn echtgenote een horecabedrijf uit in het naastgelegen pand op het perceel [straatnaam] [nummer] , nummer [nummer] te [vestigingsplaats].

2.1 Bij de bestreden besluiten 1.1 en 1.2 heeft verweerder het bezwaar van [Partij Y] gegrond verklaard en de aan [Partij X] verleende DHW-vergunning op grond van artikel 31, eerste lid,

aanhef en onder a, van de DHW ingetrokken.

2.2 In het bestreden besluit 1.1 (gericht aan [Partij X] ) heeft verweerder de DHW-vergunning ingetrokken om drie redenen. De eerste is dat in de verleende DHW-vergunning staat dat de eerste verdieping uit 150 vierkante meter horecaruimte bestaat, terwijl dat niet klopt. Uit de op 12 januari 2018 ontvangen plattegrond volgt dat in dit aantal vierkante meters ook de keuken, toiletten, wasruimte, privéruimte etc. zijn begrepen, die niet als horecaruimte meetellen. De

tweede reden is dat verweerder is gebleken dat het door [Partij X] verstrekte huurcontract niet door de huurder en de verhuurder is ondertekend en dat daaruit niet blijkt wie de verhuurder is, zodat daaruit niet kan worden opgemaakt voor wiens rekening en risico de onderneming wordt gevoerd. Verweerder heeft als derde reden genoemd dat minimaal één leidinggevende extra aanwezig moet zijn. Gelet op het voorgaande had de gevraagde vergunning volgens verweerder op grond van artikel 27 van de DHW moeten worden geweigerd. Omdat de vergunning al is

verleend heeft verweerder deze op grond van artikel 31 van de DHW ingetrokken.

2.3 In het bestreden besluit 1.2 (gericht aan [Partij Y] ) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit een nieuw onderzoek is gebleken dat de vergunning niet verleend had moeten worden omdat niet alle aangeleverde documenten correct zijn en de aanvraag niet compleet is. Op basis van de ingediende aanvullende documenten heeft verweerder verder geconcludeerd dat [Partij X] handelt in strijd met artikel 31 van de DHW. Verweerder heeft daarom besloten de

verleende DHW-vergunning op grond van dat artikel in te trekken.

2.4 In het verweerschrift 1 en op de zitting heeft verweerder aangegeven dat hij de tweede en derde reden om de vergunning te weigeren niet handhaaft. Reden voor de intrekking is dat het aantal vierkante meters dat in gebruik zal worden genomen aanzienlijk kleiner is dan wat is

aangevraagd, zodat de vergunning op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW had moeten worden geweigerd. Verweerder heeft in het verweerschrift verder aangegeven dat in het bestreden besluit abusievelijk is vermeld dat de vergunning wordt ingetrokken. Verweerder heeft beoogd het primaire besluit te herroepen en in plaats daarvan te besluiten de vergunning te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW.

3.1 De rechtbank constateert dat de twee afzonderlijke besluiten waarbij verweerder op het bezwaar van [Partij Y] heeft beslist niet geheel gelijkluidend zijn. De rechtbank constateert verder dat verweerder de grondslag voor intrekking van de verleende DHW-vergunning in het verweerschrift 1 heeft gewijzigd. Verweerder heeft immers aangegeven dat het niet zijn bedoeling was om de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW in te trekken, maar om de vergunning te herroepen en op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW te weigeren. Hoewel verweerder in het bestreden besluit 1.1 al heeft aangegeven dat de vergunning op grond van artikel 27 van de DHW had moeten worden geweigerd, is daarin niet gespecificeerd dat de aanvraag moet worden geweigerd omdat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Ook uit de tekst van het bestreden besluit 1.1 kan dit niet eenduidig worden afgeleid. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1.1 immers naast het afwijkende aantal vierkante meters op de aanvraag ook een tweetal andere redenen voor de intrekking genoemd, die hij op zitting heeft ingetrokken. In het bestreden besluit 1.2 heeft verweerder artikel 27 van de DWH zelfs helemaal niet genoemd.

3.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet blijft binnen de reikwijdte van de bestreden besluiten 1.1 en 1.2 door in het verweerschrift 1 te betogen dat hij eigenlijk heeft bedoeld dat de vergunning wordt herroepen en op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW wordt geweigerd. Daarnaast kan verweerder niet met twee niet identieke besluiten op het bezwaar beslissen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de bestreden besluiten 1.1 en 1.2 in strijd zijn met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht omdat zij niet berusten op een

deugdelijke motivering. Zij moeten dan ook worden vernietigd.

3.3 Verder is de rechtbank het volgende van oordeel. Het bestreden besluit 1.1 berust op de vaststelling dat er meer vierkante meters zijn vergund dan in gebruik zijn als horecaruimte. Partijen verschillen daarover niet van mening. Het is niet in geschil dat de aan [Partij X] verleende vergunning niet zou zijn ingetrokken als zij op dit punt geen fout had gemaakt in haar aanvraag en het juiste aantal vierkante meters had vermeld. Dit blijkt ook uit het feit dat de aanvraag van [Partij X] van 28 juni 2018, waarop wel het juiste aantal vierkante meters stond vermeld, nog diezelfde dag door verweerder is ingewilligd. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de informatie die [Partij X] bij haar eerste aanvraag heeft verstrekt niet zodanig onjuist of onvolledig was dat verweerder de DHW-vergunning niet zou hebben verleend (als bedoeld in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW). Daarbij is van belang dat de feitelijke horecaruimte kleiner is dan vergund als gevolg van een kennelijke fout bij de aanvraag van de vergunning. Dit betekent dat verweerder het primaire besluit 1 had moeten herroepen en wijzigen naar het juiste aantal vierkante meters.

4. Op 28 juni 2018 heeft [Partij X] opnieuw een aanvraag ingediend ter verkrijging van een DHW- vergunning. Verweerder heeft [Partij X] de gevraagde vergunning verleend. Tegen dat besluit heeft [Partij Y] bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is als rechtstreeks beroep (zaaknummer UTR 18/2948) aangemerkt. Op het beroep van [Partij X] heeft de rechtbank geconcludeerd dat de bestreden besluiten 1.1 en 1.2 vernietigd moeten worden en dat verweerder het primaire besluit 1 had moeten herroepen en wijzigen naar het juiste aantal vierkante meters. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder de vergunning op andere gronden had behoren te

weigeren. De rechtbank zal dat doen aan de hand van de beroepsgronden die door [Partij Y] in de zaak UTR 18/2948 tegen het bestreden besluit 2 naar voren zijn gebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat de beroepsgronden van [Partij Y] tegen de DHW-vergunning van 28 juni 2018 grotendeels een herhaling zijn van zijn eerdere bezwaargronden tegen de DHW-vergunning van

27 juni 2017.

5. [Partij Y] voert aan dat hij zich niet kan voorstellen dat [Partij X] aan de vereisten voor het verkrijgen van een DHW-vergunning voldoet, onder meer vanwege de aanhoudende stroom klachten van bezoekers, waaronder van mensen die ziek zijn geworden. Die klachten zijn volgens [Partij Y] niet verwonderlijk, gelet op het gebrek aan horecaervaring bij [Partij X] . Volgens [Partij Y] is verder niet duidelijk aan wie de vergunning is verleend, onder meer omdat op het betreffende adres eerder alleen [handelsnaam van Partij X] was ingeschreven, dat volgens de beschrijving geen horecabedrijf was. [Partij Y] stelt verder dat niet duidelijk is voor wiens rekening en risico de onderneming wordt geëxploiteerd. [Partij X] huurt de bedrijfsruimte van haar partner [C] . De eigenaar van het pand is echter mevrouw [B] . De relatie tussen [C] en mevrouw [B] is niet helder. Verder is [C] (net als zijn kinderen jonger dan 16) ook in de keuken werkzaam, maar is hij niet als leidinggevende op de vergunning vermeld. [Partij Y] stelt verder dat op de vergunning minimaal één extra leidinggevende zou moeten staan, omdat de door [Partij X] opgegeven openingstijden niet passen bij de uren die één leidinggevende kan maken. Verder stelt [Partij Y] dat [Partij X] geen terrasvergunning is verleend, dat zij hoogstwaarschijnlijk niet de verplichte precario betaalt en dat de grond (van het terras) waarschijnlijk gemeentegrond is zodat pacht moet worden betaald. Daarbij is niet duidelijk op welke wijze de kelder vanuit het restaurant toegankelijk is, terwijl alles vanuit de kelder wordt uitgeserveerd. Als het terras geopend is, is de rest van de zaak gesloten. [Partij X] heeft zelf aangegeven dat het voor haar niet te doen is om zowel binnen als buiten open te houden. Dit betekent dat in de praktijk alleen het terras gebruikt wordt en dat dus geen sprake is van een inrichting (als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de DHW, bezien in samenhang met artikel 3 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet). [Partij Y] stelt verder dat er reden bestaat om toepassing te geven aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en om de vergunning op grond van artikel 27, derde lid, van de DHW te weigeren, omdat [Partij X] is gestart met het schenken

van alcohol zonder over de daarvoor vereiste vergunning te beschikken.

6.1 De rechtbank volgt [Partij Y] niet in zijn betoog. Verweerder heeft getoetst of [Partij X] voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde DHW-vergunning, althans of er redenen zijn om haar de gevraagde vergunning op grond van het bepaalde in artikel 27 van de DHW te weigeren. De tekst van artikel 27 van de DHW en de andere relevante wettelijke betalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

6.2 [Partij X] voldoet aan de voorwaarden die in artikel 8 van de DHW aan haar als leidinggevende worden gesteld. Het standpunt van [Partij Y] dat [Partij X] geen horeca-ervaring heeft is niet onderbouwd. Daarbij volgt uit de DHW niet dat iemand met een gebrek aan horeca-ervaring geen leidinggevende kan of mag zijn. Ook het standpunt van [Partij Y] dat bezoekers van de horeca- inrichting van [Partij X] ziek zijn geworden, is niet onderbouwd. Voor zover [Partij Y] daarmee betoogt dat [Partij X] onvoldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne bezit, overweegt de rechtbank dat [Partij X] bij haar aanvraag in 2017 een verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij voor het examen sociale hygiëne is geslaagd. Dat [Partij X] op de aanvraag alleen zichzelf als leidinggevende heeft opgegeven maakt ook niet dat verweerder haar de vergunning had moeten weigeren. Deze omstandigheid doet er immers niet aan af dat [Partij X] aan de voorwaarden van artikel 8 van de DHW voldoet. Dat de horeca-inrichting niet voldoet aan de bij artikel 10 van de DHW gestelde eisen is verder gesteld noch gebleken. Hoewel verweerder ter zitting heeft aangegeven dat hem in het kader van de beoordeling van de aanvraag van [Partij X] in 2018 is gebleken dat [Partij X] ten tijde van de vergunningverlening in 2017 niet heeft aangetoond dat de ventilatie van de horeca-inrichting aan de vereisten voldeed, heeft verweerder ook aangegeven dat hem dit destijds niet bekend was en dat [Partij X] inmiddels informatie heeft verschaft waaruit blijkt dat de ventilatie wel aan de eisen voldeed. Nu eiseres respectievelijk de inrichting aan de voorwaarden van artikel 8 en 10 van de DHW voldeden, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de gevraagde vergunning op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en

onder a, van de DHW te weigeren.

6.3 Met betrekking tot de weigeringsgrond genoemd in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW verwijst de rechtbank naar de overweging 3.3. van deze uitspraak. Dat eiseres minder vierkante meters in gebruik heeft genomen dan aangevraagd en vergund, rechtvaardigt niet de conclusie dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is of zal zijn. Verweerder mocht de aanvraag daarom niet op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW weigeren.

6.4 Verweerder heeft de aanvraag van [Partij X] ook niet hoeven weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW. Het standpunt van [Partij Y] dat geen sprake is van een inrichting die beschikt over minimaal één horecalokaliteit van tenminste 35 vierkante meter,

omdat er eigenlijk alleen een terras is en alles vanuit de kelder wordt uitgeserveerd, is door [Partij X] op de zitting bestreden en door [Partij Y] niet onderbouwd. De rechtbank vindt de verklaringen van [Partij X] dat de horecalokaliteit ook in de zomer open is en dat mensen bij regen naar binnen kunnen, aannemelijk. Hierbij is van belang dat verweerder in het verweerschrift 2 nadrukkelijk heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat in afwijking van de aanvraag geen sprake zal

zijn van een horecalokaliteit.

6.5 De rechtbank volgt [Partij Y] ook niet in zijn standpunt dat er reden bestaat voor toepassing van de Wet Bibob en voor weigering van de vergunning op grond van artikel 27, derde lid, van de DHW, omdat [Partij X] is gestart met het schenken van alcohol zonder vergunning. [Partij Y] heeft zijn standpunt dat [Partij X] zonder vergunning alcohol heeft geschonken niet onderbouwd. Daarbij bevat artikel 27, derde lid, van de DHW een zogenaamde “kan-bepaling”, zodat verweerder de discretionaire bevoegdheid heeft een vergunning te weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Verweerder heeft in het verweerschrift 2 aangegeven dat hij een dergelijke ingrijpende toets slechts uitvoert als hij reden heeft om aan te nemen dat de verleende vergunning misbruikt zal worden en hij met het verlenen van de vergunning criminele activiteiten faciliteert. Verweerder betoogt verder dat hij geen reden heeft om te vermoeden dat daarvan in het geval van eiser sprake zal zijn en dat hij de toets als vermeld in artikel 27, derde en vierde lid, van de DHW daarom niet uitvoert. De rechtbank acht dit niet onredelijk. De enkele omstandigheid dat [Partij X] zonder vergunning alcohol zou hebben geschonken heeft verweerder onvoldoende mogen achten voor toepassing van de Wet Bibob en weigering van de vergunning op grond van artikel 27, derde lid, van de DHW.

6.6 Het standpunt van [Partij Y] dat aan [Partij X] geen terrasvergunning is verleend, dat zij hoogstwaarschijnlijk niet de verplichte precario betaalt en dat de grond (van het terras) waarschijnlijk gemeentegrond is zodat pacht moet worden betaald, maakt evenmin dat

verweerder [Partij X] de gevraagde vergunning had moeten weigeren. Nog daargelaten dat [Partij Y] ook dit standpunt niet heeft onderbouwd, zijn de door [Partij Y] gestelde omstandigheden bij de beoordeling van een aanvraag om een DHW-vergunning niet relevant.

7. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat hetgeen door [Partij Y] is aangevoerd niet maakt dat verweerder de gevraagde vergunning had moeten weigeren.

Ten aanzien van het beroep van [Partij Y] met zaaknummer UTR 18/2948

8. De uitspraak in de zaak [Partij X] heeft tot gevolg dat de in 2017 aan [Partij X] verleende DHW- vergunning in stand blijft (met minder vierkante meters horecalokaliteit). De beroepsgronden van [Partij Y] tegen vergunningverlening zijn hierboven besproken en dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Wat geldt voor de vergunningverlening in 2017 geldt ook voor de vergunningverlening in 2018. Dat de omstandigheden zijn veranderd is immers gesteld noch gebleken.

9. Ten aanzien van de vergunningverlening in 2018 voert [Partij Y] nog aan dat deze erg snel is verlopen. Nog op de dag van de aanvraag is de gevraagde vergunning aan [Partij X] verleend. Bij de aanvraag van 2018 zijn verder geen stukken ingediend. Het was volgens [Partij Y] in feite de oude aanvraag (van 2017) waarop het aantal vierkante meters en de data met typ-ex zijn witgemaakt en overgeschreven. Daarbij ontbrak bij de aanvraag van 2018 een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel, een heldere plattegrond en een onderzoeksformulier ten aanzien van de nieuwe aanvraag.

10. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat [Partij X] gelet op de uitkomst van haar beroep in 2018 geen nieuwe aanvraag had hoeven indienen. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder ten tijde van de aanvraag van [Partij X] in 2018 al over een groot deel van de benodigde gegevens beschikte, omdat zij al eerder een aanvraag had ingediend. Zo beschikte verweerder onder meer al over een uittreksel van de Kamer van Koophandel en plattegronden. Er was voor verweerder in 2018 dan ook geen reden om opnieuw deze stukken op te vragen. Verder heeft verweerder er in verweerschrift 2 op gewezen dat het toevoegen van een uittreksel van de KvK geen plicht is die voortvloeit uit de DHW. Ook de beroepsgronden van [Partij Y] die specifiek tegen de vergunningverlening in 2018 zijn gericht, slagen daarom niet.

Conclusies

11. Het beroep van [Partij X] is gegrond en het beroep van [Partij Y] ongegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten 1.1 en 1.2. omdat zij op een ondeugdelijke motivering berusten (overweging 3.4). De rechtbank zal beslissen dat de verleende vergunning (het primaire besluit 1) in deze zin wordt gewijzigd dat 58 m2 op de eerste verdieping is vergund in plaats van 150 m2. [Partij X] heeft niet gevraagd om vernietiging van de tweede vergunning (het primaire besluit 2), zodat de rechtbank die vergunning in stand zal laten.

12. [Partij X] heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding voor gederfde omzet. De rechtbank wijst dat verzoek af omdat het niet is onderbouwd. [Partij X] kan een verzoek om schadevergoeding bij de burgemeester indienen.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [Partij X] gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.006,60. [Partij X] heeft de rechtbank gevraagd om verweerder te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor

1). [Partij X] heeft de rechtbank ook gevraagd om een veroordeling van verweerder in de gemaakte reis- en verblijfskosten. Gelet op de hoogte van het gevraagde bedrag (€ 46,-) begrijpt de rechtbank dat het de reiskosten van de gemachtigde van [Partij X] betreft. De gemachtigde van [Partij X] is namelijk gevestigd in […] en de prijs van een retour met de NS van station […] naar station Utrecht Centraal, tweede klasse, is € 46,-. De reis- en verblijfkosten van een gemachtigde rechtsbijstandverlener zijn echter al inbegrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand. Deze kosten komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. [Partij X] heeft op haar aanvraag van 28 juni 2018 aangegeven dat zij woonachtig is in [woonplaats] . Op basis hiervan worden de door [Partij X] gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting vastgesteld op € 4,60,- op basis van openbaar vervoer, tweede klasse.

14. Voor een proceskostenveroordeling in de proceskosten die [Partij Y] heeft gemaakt bestaat geen aanleiding omdat zijn beroep ongegrond is.

Samenvatting

Uit deze uitspraak volgt dat de burgemeester de vergunning in 2017 terecht aan [Partij X] heeft verleend, zij het dat dat niet voor 150 m2 had gemoeten maar voor 58 m2 (eerste verdieping). De rechtbank wijzigt de vergunning naar 58m2. Het verzoek van [Partij X] om schadevergoeding voor gederfde omzet wijst de rechtbank af omdat dat verzoek in deze procedure niet is onderbouwd. [Partij X] kan een verzoek om schadevergoeding bij de burgemeester indienen.

Beslissing

- verklaart het beroep van [Partij X] met zaaknummer UTR 18/838 gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten 1.1 en 1.2;

- wijzigt het primaire besluit 1 in deze zin dat 58 m2 op de eerste verdieping is vergund;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- wijst het verzoek van [Partij X] om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [Partij X] tot een bedrag van € 1.006,60;

- bepaalt dat verweerder het door [Partij X] betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt;

- verklaart het beroep van [Partij Y] met zaaknummer UTR 18/2948 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Drank- en Horecawet

Artikel 3

1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

2. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8

1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:

a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

c. zij mogen niet onder curatele staan.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.

3. Leidinggevenden beschikken tevens over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

4. De in het derde lid gestelde eis geldt niet voor leidinggevenden voor wier rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, indien die leidinggevenden geen bemoeienis hebben met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd of is verkregen en de vergunninghouder dit in een schriftelijke verklaring bevestigt.

5. Bij regeling van Onze Minister worden de bewijsstukken aangewezen waaruit moet blijken dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in het derde lid. Van deze bewijsstukken wordt door een door Onze Minister aan te wijzen instantie een register bijgehouden. Dit register kan worden geraadpleegd door:

a. de burgemeester, bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3, bij het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 35 en bij een melding als bedoeld in artikel 30a;

b. de ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

6. Indien een paracommerciële rechtspersoon het horecabedrijf uitoefent, voldoen ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.

Artikel 10

De inrichting dient te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen.

Artikel 27

1. Een vergunning wordt geweigerd indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

c. artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

2. Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.

3. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 28

Een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.

Artikel 31

1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:

a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen;

c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

d. de vergunninghouder in de in de artikelen 30 en 30a, eerste lid, bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.

2. Een vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.

3. Een vergunning kan voorts door de burgemeester worden ingetrokken, indien:

a. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd;

b. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 30a, eerste lid, om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 30a, vijfde lid.

4. Indien een vergunning is ingetrokken omdat is gehandeld in strijd met de voorschriften en beperkingen verbonden aan de vergunning, bedoeld in artikel 4 of 25a, wordt de bevoegdheid om aan de betrokken rechtspersoon een nieuwe vergunning te verlenen opgeschort tot een jaar nadat het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden.

Maak PDF van deze pagina