ECLI:NL:RBNHO:2019:1547

ECLI:NL:RBNHO:2019:1547 - Rechtbank Noord-Holland - 4-3-2019

Trefwoord(en)Aard van de relatie, Zakelijk samenwerkingsverband, Vermogen verschaffen, Gelijkheidsbeginsel
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning, Exploitatievergunning horeca
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub a, Art. 9 lid 1, Art. 3 lid 4, Art. 3 lid 1 sub b

Hoofdpunten

Afwijzing van horeca exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning op grond van een Bibob-advies waarin is geconcludeerd dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c van de Wet Bibob. Verweerder mocht op grond daarvan aannemen dat het gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/1895

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Cekic),

en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Biezenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een horeca exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning afgewezen met toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

Bij besluit van 20 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door P.C. Hoogkarspel.

Overwegingen

1.1. Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 9 mei 2018 is eiser sinds 10 december 2015 bestuurder/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [naam 1] B.V. [naam 1] B.V. voert onder de gelijkluidende handelsnaam een horecabedrijf uit. [naam 2] ( [naam 2] ) is eigenaar van het pand aan het adres [het pand] (het pand). Blijkens een huurovereenkomst van 23 september 2016 huurt eiser het pand per 1 januari 2017 van [naam 2] . [naam 2] is sinds 1996 eigenaar van Coffeeshop [naam 3] , [adres 1] en sinds 2015 ook eigenaar van Coffeeshop [naam 4] [adres 2] .

1.2. Op 24 oktober 2016 heeft eiser een horeca exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning aangevraagd voor een horecabedrijf in het pand. Op de vergunningaanvraag is [naam 5] ( [naam 5] ) vermeld als leidinggevende van het bedrijf. [naam 5] is de schoonzoon van [naam 2] . [naam 5] is als leidinggevende bij Coffeeshop [naam 3] werkzaam geweest.

2. Op 29 juni 2017 heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) een advies uitgebracht over de vergunningaanvraag voor [naam 1] (het Bibob-advies).

In het Bibob-advies is vermeld – voor zover van belang, samengevat – dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen eiser en [naam 2] en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede gebruikt zullen worden om uit strafbare feiten verkregen voordeel te benutten, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a van de Wet Bibob, en om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob.

Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Wet Bibob omdat eiser als enig aandeelhouder en bestuurder van het bedrijf in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [naam 2] die strafbare feiten heeft gepleegd, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan vennootschappen die deze strafbare feiten (vermoedelijk) hebben gepleegd.

3. Het bestreden besluit gaat over de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van een horeca exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning voor [naam 1] in het pand.

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende Bibob-advies onvoldoende gemotiveerd zijn. Het is eiser niet duidelijk waarop het vermoeden is gebaseerd dat het verlenen van de vergunningen ertoe zal leiden dat de openbare orde en woon- en leefsituatie in gevaar komt.

Eiser stelt dat tussen hem en [naam 2] geen zakelijke band bestaat en dat zij uitsluitend huurder respectievelijk verhuurder zijn. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er crimineel gebruik zal worden gemaakt van de vergunningen. Verweerder heeft niets ingebracht tegen de persoon van eiser. Eiser wijst erop dat hij zelf geen strafblad heeft. Daarnaast heeft eiser voldoende ervaring als ondernemer.

Verder voert eiser aan dat sprake is van strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het er alle schijn van heeft dat verweerder [naam 2] dwars wil zitten door eiser geen vergunningen te verlenen. Eiser stelt dat verweerder daarmee bovendien handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat andere uitbaters wel een vergunning krijgen.

Tot slot voert eiser aan dat verweerder de belangenafweging niet naar behoren heeft verricht. Eiser wijst erop dat verweerder had kunnen volstaan met minder ingrijpende maatregelen, omdat het pand is gelegen tegenover het politiebureau en na het verlenen van de vergunning eenvoudig handhavend op kan worden getreden, mocht de exploitatie daartoe aanleiding geven.

5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat aan de weigering van de gevraagde vergunningen een negatief Bibob-advies van het LBB ten grondslag ligt. Verweerder stelt dat met wat eiser aanvoert geen vorm van tegenbewijs is geleverd die maakt dat verweerder niet van het Bibob-advies mocht uitgaan. Daarnaast voert eiser ook niets aan waaruit volgt dat het algemeen belang en het bewaken van de openbare orde niet heeft mogen prevaleren boven het (financiële) belang van eiser. Verweerder wijst erop dat het gegeven dat verweerder middelen tot zijn beschikking heeft om achteraf in te grijpen niet aan een weigering van de vergunning in de weg staat.

6. Voor de beoordeling geldt als uitgangspunt dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob bestuursorganen weigeren een aangevraagde beschikking te geven indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het derde lid van artikel 3 van de Wet Bibob wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet Bibob heeft het LBB tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het LBB daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

7. Voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband moet sprake zijn van een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking en die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Daarbij is niet vereist dat de zakelijke relatie is gericht op het plegen van strafbare feiten en is het niet noodzakelijk dat alle elementen van het zakelijk samenwerkingsverband afzonderlijk een relatie hebben met strafbare feiten die (vermoedelijk) binnen het zakelijk samenwerkingsverband zijn begaan. Het hebben van onderlinge invloed op, of zeggenschap in de bestaande entiteiten is evenmin een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband.

8. Aan de conclusie in het Bibob-advies van 29 juni 2017 dat eiser tot [naam 2] in een zakelijk samenwerkingsverband staat, heeft het LBB de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd: de huurrelatie tussen eiser en [naam 2] , dat [naam 2] optreedt als beheerder van het pand, de vermogensverschaffing in verband met de schenking van de inventaris, de eerder ingediende en geweigerde vergunningaanvragen voor een horecaonderneming in hetzelfde pand door [naam 2] en de omstandigheid dat de beoogde leidinggevende van [naam 1] eveneens de leidinggevende is van een onderneming van [naam 2] en de schoonzoon van [naam 2] .

9. Eiser heeft de onder 7. genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf niet bestreden. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat verweerder daaruit niet de conclusie kan trekken dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.

10. Uit het Bibob-advies blijkt dat van belang wordt geacht dat in de huurovereenkomst voor het pand bijzondere bepalingen en voorbehouden zijn opgenomen, onder meer dat eiser verplicht is het pand uitsluitend als horecaruimte te gebruiken. Daarnaast blijkt uit de bepalingen in de huurovereenkomst dat het risico eenzijdig bij [naam 2] ligt, onder meer omdat de huur pas hoeft te worden voldaan als de vergunningen zijn verleend. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat deze bepalingen gebruikelijk zijn. Zoals door verweerder ter zitting genoemd zijn ook andere oplossingen mogelijk waarbij het risico voor het niet verkrijgen van de benodigde vergunning niet volledig bij de verhuurder komt te liggen, zoals een beperking in tijd.

Het betoog van eiser dat het enkele bestaan van de huurovereenkomst met een persoon ten aanzien van wie strafbare feiten bekend zijn niet voldoende is, omdat dat ertoe zou leiden dat in het pand nooit een horecagelegenheid geëxploiteerd kan worden, slaagt niet. Een horecagelegenheid behoort wel tot de mogelijkheden, maar niet als dat in strijd komt met de vereisten van de Wet Bibob. Dat voor [naam 2] verkoop van het pand als enige optie overblijft, zoals eiser stelt, is immers onjuist gebleken. Blijkens de toelichting van verweerder heeft het pand niet uitsluitend de bestemming horeca en bestaan andere mogelijkheden om het pand te exploiteren.

Daarnaast is het zakelijk samenwerkingsverband niet uitsluitend gebaseerd op de huurovereenkomst tussen eiser en [naam 2] . In het Bibob-advies is eveneens vermeld dat het vermoeden bestaat dat [naam 2] een derde naar voren probeert te schuiven om alsnog een vergunning te krijgen voor horeca in het pand. In dat verband valt op dat eiser geen ervaring

heeft als ondernemer in de horeca, maar een kapperszaak heeft en voorheen ook auto’s verkocht. Bovendien is meegewogen dat in een proces-verbaal van 6 mei 2014 dat is opgemaakt in verband met een eerdere vergunningaanvraag door [naam 2] voor het pand, is vermeld dat [naam 2] heeft gezegd dat hij mogelijk iemand anders naar voren zal schuiven om een vergunning aan te vragen voor het pand.

De in het Bibob-advies geschetste omstandigheden rechtvaardigen het ernstige vermoeden dat [naam 2] bij de exploitatie van de horeca van eiser betrokken is en daarbij mogelijk zeggenschap heeft. Daar komt bij dat ten tijde van de aanvraag de beoogde leidinggevende voor het bedrijf de schoonzoon van [naam 2] betrof, die bovendien ook leidinggevende was in een onderneming van [naam 2] . Dat eiser mogelijk inmiddels iemand anders op het oog heeft voor die functie, zoals door hem ter zitting toegelicht, maakt dat niet anders. Voor de beoordeling of verweerder op juiste grond tot het besluit is gekomen, zijn de feiten relevant zoals die op dat moment bekend waren. Nieuwe informatie kan daarin niets veranderen. Verder is in het Bibob-advies betrokken dat [naam 2] als vermogensverschaffer optreedt omdat hij de inventaris van het pand ten behoeve van [naam 1] aan eiser heeft geschonken. De waarde van de inventaris is geschat op € 2.000,- á € 2.500,-. Dat wat eiser betreft de inventaris ook bij het grof vuil gezet had kunnen worden, doet daaraan niet af. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling van eiser dat het bij een pand wat al zo lang leegstaat gebruikelijk is om de inventaris geschonken te krijgen.

11. Volgens vaste jurisprudentie (zoals bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:1218) mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel afgaan op een Bibob-advies, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met wat overigens bekend is.

Van onzorgvuldigheid of tegenstrijdigheid in dit verband op grond waarvan verweerder aan de bevindingen in het advies had moeten twijfelen, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat al de feiten en omstandigheden vermeld in het Bibob-advies, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en [naam 2] .

12. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt eveneens dat voor het weigeren van vergunningen op grond van de Wet Bibob niet is vereist dat aannemelijk is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden binnen de inrichting op het perceel. Evenmin is vereist dat de strafbare feiten zijn gepleegd door werknemers van eiser. Noodzakelijk is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden en dat eiser in relatie staat tot de plegers van deze strafbare feiten. Niet vereist is dat sprake is van strafrechtelijke veroordeling. Een ernstig vermoeden dat [naam 2] zich aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, is voldoende. Dat eiser zelf geen strafbaar feit heeft gepleegd, staat niet in de weg aan de weigering van de vergunning. De in het Bibob-advies vermelde en door eiser niet betwiste feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat [naam 2] zich (vermoedelijk) schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Omdat tussen eiser en [naam 2] een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, staat eiser in relatie tot deze strafbare feiten.

13. Op grond van het Bibob-advies mocht verweerder aannemen dat het gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat verweerder het Bibob-advies aan de weigering van de vergunningen ten grondslag mocht leggen en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat ernstig gevaar bestaat dat de door eiser aangevraagde vergunningen (mede) zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef onder b, van de Wet Bibob. Dat levert reeds voldoende grondslag voor het bestreden besluit. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte de vergunning heeft geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef onder a, van de Wet Bibob omdat de gestelde vordering van de Belastingdienst op eiser niet bestaat, kan om die reden onbesproken blijven.

14. De stelling dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel heeft eiser niet nader onderbouwd met vergelijkbare gevallen. Ook het betoog van eiser dat verweerder bij afweging

van de bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering heeft kunnen besluiten, slaagt niet. Het belang van verweerder van het beschermen van de openbare orde bestaat onder meer daarin dat geen ongewenst publiek wordt aangetrokken. Dat na het verlenen van de vergunningen handhavend kan worden opgetreden, kan niet worden gezien als een maatregel die minder ingrijpend is dan het afwenden van ernstig gevaar als hier bedoeld.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzitter, en mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. E.G. van Roest, leden, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Maak PDF van deze pagina