ECLI:NL:RBOBR:2020:5708

ECLI:NL:RBOBR:2020:5708 - Rechtbank Oost-Brabant - 17-11-2020

Trefwoord(en)Samenhang, B-grond, Proportionaliteit, Vergewisplicht
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub b, Art. 3 lid 5

Uitspraak

17-11-2020 Rechtbank Oost-Brabant (Den Bosch) ECLI:NL:RBOBR:2020:5708

Instantie Rechtbank Oost-Brabant

Datumuitspraak 17-11-2020

Datumpublicatie 08-12-2020

Zaaknummer 20/361 T

Rechtsgebieden Bestuursprocesrecht

Bijzonderekenmerken Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie Tussenuitspraak. De gevraagde omgevingsvergunning voor uitbreiding van een bedrijfspand en verbreden van een oprit is door het college geweigerd na een negatief advies van het Landelijke Bureau Bibob (LBB). Het college heeft op grond van de adviezen van het LBB weliswaar kunnen concluderen dat er ernstig gevaar zou kunnen bestaan dat de gevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, maar het college dient bij de beslissing of een omgevingsvergunning kan worden verleend, de proportionaliteitstoets van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob toe te passen. Een omgevingsvergunning mag met toepassing van de Wet Bibob slechts worden geweigerd als dit evenredig is met de mate van het gevaar en voor zover het ernstig gevaar betreft, met de ernst van de strafbare feiten. Het college heeft de weigering van de omgevingsvergunning onvoldoende gemotiveerd en wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/361

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder (gemachtigden: R. van Mensfoort en ing. E.F.F.S Leenders).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning voor uitbreiding van het bedrijfspand en het verbreden van een inrit aan de [adres] , afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Namens eiseres zijn verschenen [naam] en [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft op 6 december 2018 een omgevingsvergunning gevraagd voor het uitbreiden van een bedrijfsruimte en het verbreden van een inrit aan het adres [adres] . Verweerder heeft eiseres op 11 december 2018 bericht dat voor de afhandeling van aanvraag een toetsing in het kader van bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (bibob) noodzakelijk is. Eiseres heeft op 11 januari 2019 een zogenaamd bibob vragenformulier ingevuld. Verweerder heeft op 1 maart 2019 een bibob-advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB).

1.2 Het LBB heeft op 21 mei 2019 advies uitgebracht. In het advies is het LBB van oordeel dat er een ernstig gevaar is dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het LBB komt tot deze conclusie omdat aan vennoten van eiseres door de Belastingdienst naheffingen en vergrijpboetes zijn opgelegd.

1.3 Vennoot [naam] is (via [naam] BV en dochtersvennootschappen) blijkens de tussen [naam] en de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst een naheffingsaanslag en vergrijpboete opgelegd. [naam] BV verschilde met de Belastingdienst van mening over de belastbaarheid van grondtermijnen en de aftrek van voorbelasting in verband met vrijgestelde prestaties. De grondtermijnen van de levering van grond van 15 projecten heeft deels plaatsgevonden met overdrachtsbelasting, volgens de Belastingdienst ten onrechte. [naam] BV heeft in dit verband een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij accepteerde dat haar een bedrag van

€ 950.000,00 aan naheffing BTW inclusief naheffingsrente en een bedrag van € 50.000,00 als vergrijpboete werden opgelegd. Daarnaast was er nog een geschil over verschuldigde inkomstenbelasting vanwege het door werknemers gratis gebruik laten maken van vakantiehuisjes van de firma. [naam] BV heeft daarom over de jaren 2012 t/m 2016 een bedrag van € 85.000,00 aan loonbelasting betaald en een boete van

€ 8.442,00 voor deze periode,wederom op basis van een vaststellingsovereenkomst.

1.4 Vennoot [naam] (via [naam] BV, [naam] BV, [naam] BV en [naam] BV) zou fiscale overtredingen hebben begaan met betrekking tot de aftrekbaarheid van autokosten in de vennootschapsbelasting en de aftrekbaarheid van gemaakte autokosten in de omzetbelasting en de verschuldigde BTW voor het beschikbaar stellen van een auto aan de directeur- grootaandeelhouder. Er is een vaststellingsovereenkomst gesloten op basis waarvan € 200.000,00 aan BTW is nabetaald. Voorts is over de jaren 2010 tot en met 2013 de verschuldigde loonbelasting gecorrigeerd met respectievelijk € 16.926,00, € 42.204,00,€ 42.204,00 en € 94.243,00. Voor 2014 bedroeg de correctie € 85.055,00. Daarnaast heeft de vennootschap ingestemd met het opleggen van een vergrijpboete van € 5.000,00.

1.5

Uit het LBB-onderzoek blijkt verder dat het Samenwerkingsverband [naam] van de heren [naam] en [naam] over de jaren 2010 tot en met 2014 BTW niet of niet binnen de termijn heeft betaald. Het samenwerkingsverband verhuurt in de [naam] te Tilburg 14 appartementen, deels btw-belaste short-stay verhuur en deels btw-vrijgestelde reguliere verhuur. Het samenwerkingsverband heeft tijdens de verbouw het totale bedrag aan omzetbelasting als voorbelasting geclaimd terwijl die BTW deels in rekening is gebracht voor verhuur die vrijgesteld is van BTW. De Belastingdienst heeft daarom een naheffingsaanslag van € 41.030,00 opgelegd en een vergrijpboete van € 4.278,00.

1.6 Bij de conclusie dat sprake is van een ernstig gevaar, heeft het LBB de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betrokken van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2024). De feiten en omstandigheden in onderhavige situatie wijken volgens het LBB af van die in de betreffende uitspraak. Het LBB wijst er met name op dat er geen sprake is van ‘schoon schip’ en het feit dat de overtredingen langer hebben geduurd en dat er meer geld meewas gemoeid dan in de uitspraak van de Afdeling uit 2016.

1.7 Bij besluit van 5 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning afgewezen. In de bezwaarprocedure heeft verweerder, naar aanleiding van de bezwaargronden op 28 augustus 2019 een aanvullend advies gevraagd aan het LBB. Verweerder heeft het aanvullend advies op 24 september 2019 van LBB ontvangen. In dit aanvullend advies komt het LBB niet tot gewijzigde inzichten. Bij gewijzigd besluit van 1 oktober 2019 heeft verweerder de omgevingsvergunning wederom geweigerd. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede onderwerp van het ingediende bezwaar.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en daaraan het volgende, samengevat, ten grondslag gelegd. De aanvraag om een omgevingsvergunning is afgewezen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Uit de adviezen van het LBB blijkt volgens verweerder dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uitgegaan mag worden van de deskundigheid van het LBB en van de juistheid van hetgeen is opgenomen in de adviezen, aangezien het aan de adviezen ten grondslag liggende onderzoek op een zorgvuldige wijze is verricht en de daarin opgenomen bevindingen de getrokken conclusies kunnen dragen.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert in de eerste plaats aan dat uit de adviezen van het LBB van 21 mei 2019 en 24 september 2019 blijkt dat de reden voor de adviesaanvraag het vermoeden was dat er een zakelijk samenwerkingsverband zou bestaan tussen één van de vennoten van eiseres en [naam] . Aan het LBB is gevraagd of er een relatie is tussen de aanvragers van de omgevingsvergunning en strafbare feiten. Volgens eiseres blijkt deze relatie niet uit de adviezen. Verweerder heeft de bevindingen van het LBB in het kader van de vergewisplicht en in weerwil van wat in bezwaar is aangevoerd ten onrechte zonder meer overgenomen. Eiseres voert in dit verband aan dat uit de gesloten vaststellingsovereenkomsten ten onrechte de conclusie is getrokken is dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De door het LBB gestelde feiten stroken niet met hetgeen overigens bekend is, hetgeen onderdeel is van de vergewisplicht (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:818). Eiseres doelt daarbij met name op de waardering van de vaststellingsovereenkomsten door de Belastingdienst zelf, zoals blijkt uit het memo van mr. A. Derks, die zelf betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten. Verder is eiseres, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016, van mening dat in ieder geval geen sprake is van ernstig gevaar, zodat de vergunning niet geweigerd had mogen worden. Ten minste had verweerder de mogelijkheid moeten onderzoeken of de vergunning onder voorwaarden zou kunnen worden verleend. Van de situatie van eiser gaat nog minder gevaar uit dan van het geval waarop de uitspraak van 20 juli 2016 ziet omdat er schoon schip is gemaakt en de Belastingdienst geen aanleiding heeft gezien voor verscherpt toezicht. Voorts acht eiseres de weigering van de gevraagde vergunning strijdig met de vereiste evenredigheid als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob. Verweerder gaat wel uit van vergrijpboetes, maar het memo van de Belastingdienst geeft aan dat geen sprake was van opzet of grove schuld. Bovendien is herhaling van de vergrijpen met de gevraagde vergunning niet aan de orde; aanleiding voor problemen met de Belastingdienst in verband met onroerend goed betroffen grondtransacties voor nieuwbouw, hier is verbouw aangevraagd.

4. Verweerder stelt zich in reactie op het beroep op het standpunt dat er voldoende redenen zijn om te concluderen dat er sprake is van ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob en dus voldoende reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Gezien het toetsingskader dat betrekking heeft op de gevraagde omgevingsvergunning kon verweerder advies vragen aan het LBB. Hij mag, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel op het advies van het LBB afgaan. Verweerder ziet geen reden om aan te nemen dat er onwaarheden in de adviezen van het LBB staan, noch dat ze niet consistent zijn of onjuist zijn gemotiveerd. Uit het advies van het LBB blijkt aanleidingde vergunning te weigeren.

5. Het voor deze zaak relevante wettelijk kader is weergegeven in bijlage 1 bij deze uitspraak. De rechtbank beoordeelt hieronder het beroep.

6. Verweerder mocht voor het nemen van het besluit op de aanvraag advies vragen. Dit volgt uit artikel 2.20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2676), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

8. De Afdeling heeft verder overwogen in de uitspraak van 17 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2450), dat het in artikel 3 van de Wet Bibob genoemde begrip "vermoeden" betrokken is op het in relatie staan tot strafbare feiten en niet op die strafbare feiten zelf. Volgens het achtste lid van dat artikel, wordt onder strafbaar feit mede verstaan een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Het opleggen van een bestuurlijke boete is in zoverre te vergelijken met een veroordeling voor een strafbaar feit. Wanneer een boetebesluit in werking is getreden, moet het beboetbare feit oftewel de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, als vaststaand worden aangenomen. Het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete oplegt heeft de overtreding immers bewezen geacht. Het LBB mag zich daar in het bibob-advies op baseren en ook andere bestuursorganen mogen de opgelegde bestuurlijke boete als uitgangspunt nemen en daarop voortbouwen. Daarbij merkt de Afdeling op dat, mocht de boete door de bestuursrechter worden vernietigd omdat toch geen overtreding is gepleegd, een nieuwe vergunningaanvraag kan worden gedaan.

9.1 Niet in geschil is dat aan de vennoten vergrijpboetes zijn opgelegd zoals in de adviezen van het LBB omschreven. Met de door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden is nader inzicht verschaft in de achtergrond van de problemen van de vennoten met de Belastingdienst. Zo is duidelijk geworden dat er tussen de vennoten en de Belastingdienst een (uitgebreid) juridisch debat is gevoerd, waarvan de vaststellingsovereenkomsten het resultaat zijn. Zoals eiseres ter zitting ook heeft toegelicht, zijn deze overeenkomsten mede gesloten om de blik weer op de toekomst te kunnen richten. Er is zelfs ingestemd met het opleggen van de vergrijpboetes, omdat in dat kader de boetes aanzienlijk lager konden worden vastgesteld dan wanneer de Belastingdienst had volstaan met een verzuimboete. De rechtbank is van oordeel dat deze nadere toelichting op de vaststellingsovereenkomsten niets afdoet aan het feit dat de Belastingdienst aanleiding heeft gezien voor het opleggen van een vergrijpboete vanwege de door de vennoten gepleegde strafbare feiten. Dit gegeven heeft het LBB op haar beurt weer in de advisering kunnen betrekken.

9.2 Uit de oplegging van de vergrijpboetes volgt dat de eerdergenoemde vennoten inderdaad betrokken zijn geweest bij strafbare feiten. Deze strafbare feiten zijn door de vennoten verder gepleegd bij vastgoed gerelateerde activiteiten, net zoals de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is gevraagd. Aan eiseres moet wel worden toegegeven dat een fiscaal vergrijp als de onjuiste afdracht van overdrachtsbelasting bij overdracht van bouwgrond bij de nu gevraagde omgevingsvergunning voor verbouw niet aan de orde is omdat geen sprake is van overdracht van bouwgrond.

10.1 Eiseres betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2024) dat in ieder geval geen sprake is van ernstig gevaar dat de gevraagde vergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Daarbij wijst eiseres erop dat er wel degelijk schoon schip is gemaakt, omdat de discussie met de Belastingdienst is afgesloten en de vergrijpboetes zijn voldaan. Verder zijn de strafbare feiten al enige tijd geleden gepleegd en heeft de Belastingdienst geen aanleiding gezien voor verscherpt toezicht op eiseres of haar vennoten.

10.2 Verweerders standpunt met betrekking tot de uitspraak van 20 juli 2016 is hiervoor weergegeven onder 1.6. De rechtbank stelt gezien de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting vast dat partijen verdeeld zijn over de betekenis van het al dan niet instellen van verscherpt toezicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid in het achterwege blijven van verscherpt toezicht een factor kunnen zien die het gevaar vergroot dat de gevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Eiseres betitelt het achterwege blijven van verscherpt toezicht als blijk van vertrouwen van de Belastingdienst, maar – hoewel dat mogelijk is – heeft dat niet verder onderbouwd. Weliswaar is enige tijd verstreken sinds de gepleegde strafbare feiten, maar dit tijdsverloop acht de rechtbank niet zodanig dat reeds daarom niet van ernstig gevaar kan worden gesproken. Daarbij is van belang dat eiseres wel stelt de boetes te hebben voldaan, maar dat is niet hetzelfde als ‘schoon schip maken’ als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling waarop eiseres zich beroept. Daarmee is immers bedoeld dat de werkwijze (structureel) in overeenstemming wordt gebracht met de geldendewetgeving.

11.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de adviezen van het LBB heeft kunnen

concluderen dat er ernstig gevaar zou kunnen bestaan dat de gevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, al moet deze vrees worden gerelativeerd gelet op hetgeen hierboven is overwogen. Dit oordeel neemt niet weg dat verweerder bij de verlening van de omgevingsvergunning de proportionaliteitstoets van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob dient toe te passen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 24 januari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:AZ6847) en van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:350). De vergunning mag slechts worden geweigerd als dit evenredig is met de mate van het gevaar en voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

11.2 Het beroep van eiseres op de vereiste evenredigheid als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob slaagt naar het oordeel van de rechtbank wel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zonder nadere motivering niet kunnen komen tot weigering van de gevraagde vergunning. Zonder af te willen doen aan de ernst van de hiervoor omschreven strafbare feiten die door de vennoten zijn gepleegd, acht de rechtbank weigering van de vergunning in de voorliggende situatie niet evenredig. Weliswaar is in het bibob-advies geconcludeerd dat ernstig gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, maar de ernst en aard van deze feiten en het tijdsverloop sinds het zich voordoen van een deel van de feiten rechtvaardigen niet dat het eiseres nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt in de gemeente Oss haar ondernemingsactiviteiten te ontplooien. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er wel sprake is geweest van fiscale delicten, en dat de delicten van vennoot [naam] zijn gerelateerd aan de ontwikkeling van vastgoed waartoe ook de gevraagde omgevingsvergunning dient. Deze delicten van vennoot [naam] zijn hoofdzakelijk voortgekomen uit een verschil van fiscaal inzicht over de belastingafdracht bij overdracht van grond voor nieuwbouw. Boze opzet kan daarbij moeilijk worden vastgesteld, mede gezien het feit dat discussies tussen (grote) ondernemingen en de Belastingdienst niet ongebruikelijk zijn, en de matiging van de vergrijpboete wijst daar ook niet op. Daarbij komt dat bij de aangevraagde vergunning nieuwbouw geen rol speelt, zodat dezelfde situatie zich niet kan herhalen. De fiscale vergrijpen waaraan [naam] en Samenwerkingsverband [naam] zich hebben schuldig gemaakt hebben niet rechtstreeks verband met de aangevraagde vergunning. Verweerder heeft ter zitting gewezen op de mogelijkheid dat er rond fiscale verantwoording van de verbouwing wederom onregelmatigheden gepleegd zullen worden, maar die mogelijkheid acht de rechtbank onvoldoende om de weigering alsnog evenredig te achten. Deze beroepsgrond slaagt. Gelet op dit oordeel kan in het midden blijven of de omgevingsvergunning onder voorwaarden zou kunnen worden verleend.

12. Het besluit is dus onvoldoende gemotiveerd. Dit levert strijd op met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank wil verweerder in deze procedure de kans geven om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of met een nieuw besluit, als verweerder toch besluit om de omgevingsvergunning te verlenen.

13. Verweerder krijgt twee weken de gelegenheid om te laten weten of zij wil overgaan tot herstel. Als in deze termijn geen bericht van verweerder is ontvangen zal de rechtbank einduitspraak doen. Indien verweerder van de gelegenheid tot herstel gebruik wil maken, stelt de rechtbank verweerder daarvoor een termijn van zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Verweerder kan daarbij het stellen van voorwaarden, mogelijk gemaakt door de wijziging van de Wet bibob per 1 augustus 2020, betrekken. Binnen vier weken na dagtekening van het herstelbesluit kan eiseres haar zienswijze op het herstelbesluit naar voren brengen. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder nadere behandeling ter zitting einduitspraak doen op het beroep.

14. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank

mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak

het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 17 november 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage 1

artikel 2.20 Wabo

1. Voor zover de aanvraagbetrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel2.1, eerste lid, onder a, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.

2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is op een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, waarvoor bij die maatregel is bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

Art. 3 Wet bibob (geldend ten tijde van het bestreden besluit)

Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

(…)

b. strafbare feiten te plegen. (…)

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

de aard van de relatie en

het aantal van de gepleegde strafbare feiten. (…)

De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

de mate van het gevaar en

voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

(…)

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Art. 3 Wet bibob (geldend vanaf 1 augustus 2020)

Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

(…)

b. strafbare feiten te plegen. (…)

1. Voorzover het ernstig gevaarals bedoeld in het eerstelid, aanhef en onderdeelb, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. (…)

4. De betrokkene staat in relatietot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirectleiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan,of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaarals bedoeld in het eerstelid, onderdeel b, betreft,de ernst van de strafbare feiten.

(…)

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.

Maak PDF van deze pagina