ECLI:NL:RBROT:2019:2784

ECLI:NL:RBROT:2019:2784 - Rechtbank Rotterdam - 10-4-2019

Trefwoord(en)Ernstig gevaar b-grond, Vergewisplicht, Proportionaliteit, Ernst van het vermoeden
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning, Exploitatievergunning horeca
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub b, Art. 3:9 Awb, Art. 3 lid 5, Art. 3 lid 3 sub b, Art. 3 lid 3

Hoofdpunten

Het gaat in deze zaak om een intrekking van de aan verzoeker verstrekte exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning omdat, volgens het advies van het LBB, een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen voor de exploitatie van de inrichting mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Niet is gebleken dat verweerder ten onrechte van het advies van het LBB is uitgegaan en een ernstig gevaar voor het plegen van strafbare feiten met de vergunningen heeft aangenomen. Wel is volgens de voorzieningenrechter het intrekken van de vergunningen in strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob. De ernst en aard van de strafbare feiten rechtvaardigen namelijk niet dat de vergunningen worden ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, het besluit tot intrekking van de vergunningen wordt geschorst.

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 19/1343

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.C. Herrewijnen,

en

de burgemeester van de gemeente [vestigingsplaats], verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan verzoeker verleende exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor de [de inrichting] (de inrichting) met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker op 19 maart 2019 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. C. Jochemsen.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

2.1. Verzoeker heeft sinds 7 juni 2016 een horeca-exploitatievergunning, een Drank- en Horecawetvergunning en een aanwezigheidsvergunning speelautomaten voor de inrichting. Op 8 augustus 2017 is de aan verzoeker verstrekte vergunning uitgebreid met activiteit 15 (het gelegenheid bieden tot het roken van rookwaar met gebruikmaking van waterpijpen).

2.2. Verweerder heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd om advies over de aan verzoeker verleende vergunningen vanwege de mogelijke betrokkenheid bij de inrichting van een persoon met mogelijke criminele antecedenten. In dat kader en op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) heeft verzoeker bij brief van 10 augustus 2018 een bibob-formulier ontvangen met het verzoek de vragen op dat formulier volledig te beantwoorden en te voorzien van de gevraagde bewijsstukken. Vervolgens heeft het LBB op 28 november 2018 een bibob-advies afgegeven. Uit dat advies volgt dat van het vermeende samenwerkingsverband tussen verzoeker, de inrichting en de genoemde persoon niet is gebleken. Wel komt het LBB tot de conclusie dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen van verzoeker voor de exploitatie van de inrichting mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, vanwege twee veroordelingen van verzoeker voor twee strafbare feiten en een ernstig vermoeden van valsheid in geschrifte.

3. Nadat verweerder zijn voornemen aan verzoeker kenbaar heeft gemaakt en een mondeling zienswijzegesprek met verzoeker heeft plaatsgevonden, heeft verweerder het advies van het LBB dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen van verzoeker voor de exploitatie van de inrichting mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, gevolgd en het bestreden besluit genomen.

4. Verzoeker stelt dat verweerder de vergunningen ten onrechte heeft ingetrokken. Van valsheid in geschrifte bij het invullen van het bibob-formulier is volgens verzoeker geen sprake en evenmin van ernstig gevaar, zodat verweerder niet van het bibob-advies mocht uitgaan.

4.1. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:245 en 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:350) mag het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het intrekken van een beschikking in beginsel afgaan op een advies van het LBB. Het moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en uitgevoerd en de feiten de conclusies kunnen dragen. Het LBB dient op grond van de Wet bibob een advies uit te brengen en daarin in te gaan op de vraag of een ernstig gevaar bestaat dat de gegeven beschikkingen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob). Daarbij dient het zich te beperken tot het verzamelen en analyseren van de in artikel 12, tweede lid, van de Wet bibob, bedoelde persoonsgegevens. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het LBB in het bibob- advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in overeenstemming met deze bevoegdheid heeft gehandeld.

4.2. Op 31 augustus 2018 heeft verzoeker op het bibob-formulier bij de vragen 4A (Bent u in aanraking geweest met politie, justitie, overheid of Belastingdienst?) en 4B (Bent u als verdachte in aanraking geweest met politie of justitie?) telkens ‘Nee’ geantwoord. Bij de ruimte voor de handtekening is verzoeker er op gewezen dat hij door het zetten van de handtekening onder dat formulier verklaart dat hij alle gegevens op dat formulier naar waarheid heeft ingevuld en dat, mocht later blijken dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, dat gevolgen kan hebben voor de verleende of aangevraagde vergunningen.

Uit het onderzoek door het LBB is onder meer gebleken dat verzoeker:

- op [datum 1] (nog niet onherroepelijk) is veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis wegens het voorhanden hebben van een wapen, te weten een creditcardmes, op [datum en plaats], en dat hij

- op [datum 2] onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete van € 250,- en drie weken

gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens mishandeling van [x].

Ook al was verzoeker naar zijn zeggen op het moment van het invullen van het formulier niet op de hoogte van de veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen, heeft hij ook de veroordeling van [datum 2] niet vermeld. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij ervan uitging dat alleen veroordelingen van de afgelopen vijf jaar van belang waren. Het had op de weg van verzoeker gelegen bij onduidelijkheid daarover bij de juiste instanties meer informatie te vragen alvorens uit te gaan van deze veronderstelling. Op grond van het voorgaande kan niet anders worden geoordeeld dan dat verzoeker het bibob-formulier niet naar waarheid heeft ingevuld. De voorzieningenrechter verwijst verder ook naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van

6 februari 2019, onder 9.1., waarin is geoordeeld dat wanneer het bibob-formulier onjuist is ingevuld, de conclusie van het LBB dat het vermoeden bestaat dat valsheid in geschrifte is gepleegd juist is.

4.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (Wwm) is een creditcardmes een wapen van categorie I en is het op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wwm verboden een dergelijk wapen voorhanden te hebben, te dragen en te vervoeren. De beroepsgrond dat de veroordeling terzake het voorhanden hebben van het creditcardmes nog niet onherroepelijk is, slaagt niet. De voorzieningenrechter verwijst daarbij naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018. Een bibob-advies kan uitgaan van strafbare feiten waarvan (nog) niet onherroepelijk in rechte is vastgesteld dat zij zijn gepleegd. Wel moet het aannemelijk zijn dat de feiten zijn gepleegd. Daarvan is in dit geval sprake, zodat met dit feit ook rekening mag worden gehouden. Ook het strafbare feit uit [jaartal], de mishandeling, waarvoor verzoeker onherroepelijk is veroordeeld, mocht bij de besluitvorming worden betrokken. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verweerder ten onrechte van het advies van het LBB is uitgegaan en een ernstig gevaar voor het plegen van strafbare feiten met de vergunningen heeft aangenomen.

5. Vervolgens stelt verzoeker dat de intrekking van de eerder aan hem verleende vergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob.

5.1. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 dient verweerder de evenredigheidstoets van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob zelf toe te passen, ook al wordt in het bibob-advies geconcludeerd dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. De intrekking van de vergunning mag slechts plaatsvinden indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, betreft, zoals in dit geval, de ernst van de strafbare feiten. Bij de totstandkoming van artikel 3 van de Wet bibob is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert (zie uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3091 en Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, p. 2). De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een situatie waarin de overheid met de instandlating van de vergunningen ongewild betrokken raakt bij het faciliteren van criminele activiteiten. Weliswaar is in het bibob-advies geconcludeerd dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, maar de ernst en aard van de strafbare feiten rechtvaardigen niet dat de vergunningen worden ingetrokken. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de mishandeling is gepleegd op [datum 3] en plaatsvond in de persoonlijke sfeer (ex-partner). Verder is van belang dat het creditcardmes weliswaar een verboden wapen is, maar dat verzoeker onweersproken heeft gesteld dat hij deze op een beurs heeft gekregen. Dit wapen is dan ook niet via het criminele circuit bij verzoeker terechtgekomen. Verzoeker is niet in de inrichting met dit wapen aangetroffen, maar op het vliegveld bij de douane. Zowel de mishandeling als het verboden wapenbezit zijn door verzoeker gepleegd voordat hij de inrichting is gaan exploiteren. Sindsdien is hij niet voor andere strafbare feiten veroordeeld.

6. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en ziet dan ook aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De overige door verzoeker aangevoerde gronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de
bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 april 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Maak PDF van deze pagina