ECLI:NL:RVS:2018:3041

ECLI:NL:RVS:2018:3041 - Raad van State - 19-9-2018

Trefwoord(en)Ernstig gevaar b-grond, Proportionaliteit, Samenhang
Toepassingsgebied(en)vuurwerkverkoopvergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 3 sub a, Art. 3 lid 5, Art. 3 lid 3, Art. 3 lid 1 sub b

Hoofdpunten

Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college de aan appellant] verleende vergunning voor het verkopen en afleveren van consumentenvuurwerk aan particulieren (hierna: vuurwerkverkoopvergunning) ingetrokken.

Uitspraak

Uitspraak

201800605/1/A3.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2017 in zaak nr. 17/3281 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Diemen. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college de aan [appellant] verleende vergunning voor het verkopen en afleveren van consumentenvuurwerk aan particulieren (hierna: vuurwerkverkoopvergunning) ingetrokken.

Bij besluit van 20 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Rotgans, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.S. Hillert, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. Op 24 oktober 2016 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een vergunning voor de verkoop van consumentenvuurwerk. Met het besluit van 17 november 2016 heeft het college aan [appellant] ten behoeve van zijn eenmanszaak IRecovery/Rowy vergunning verleend voor het verkopen en afleveren van consumentenvuurwerk aan particulieren op 29, 30 en 31 december 2016 vanaf de locatie […] te Diemen. Na het verlenen van deze vergunning heeft het college een bestuurlijke rapportage van 21 november 2016 ontvangen van de politie. Hierin staat dat [appellant] zes keer is veroordeeld voor overtreding van het Vuurwerkbesluit. Ook heeft hij twee bestuurlijke maatregelen opgelegd gekregen. Het college heeft de aan [appellant] verleende vergunning vervolgens op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) ingetrokken.

Besluitvorming

3. Bij het besluit van 20 april 2017 heeft het college zijn besluit tot intrekking van de vuurwerkverkoopvergunning gehandhaafd. Het heeft hieraan het advies van de commissie bezwaarschriften van 28 maart 2017 ten grondslag gelegd. Daaruit volgt dat uit de bestuurlijke rapportage van de politie is gebleken dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aan

[appellant] verleende vuurwerkverkoopvergunning mede gebruikt zou kunnen worden voor het plegen van strafbare feiten. Op grond van de Wet bibob komt het college de bevoegdheid toe om een vergunning te weigeren of in te trekken. Toen op de vergunningsaanvraag werd besloten, waren er geen redenen bekend om de vergunning te weigeren. De bestuurlijke rapportage is na de verlening van de vergunning ontvangen. Hieruit bleek dat [appellant] zes keer is veroordeeld voor

overtredingen die te maken hebben met vuurwerk. Het college heeft de vuurwerkverkoopvergunning ingetrokken en acht het daarbij niet onredelijk om het algemeen belang zwaarder te laten wegen dan het individuele belang van [appellant].

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat [appellant] nog belang heeft bij een inhoudelijk behandeling van zijn beroep, omdat hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van het besluit van 20 april 2017.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college in redelijkheid de vuurwerkverkoopvergunning heeft kunnen intrekken. Nu [appellant] sinds 2004 herhaaldelijk is veroordeeld wegens overtredingen van het Vuurwerkbesluit kan op grond daarvan worden aangenomen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hierbij zijn het repetitieve karakter van de overtredingen en het feit dat die alle vuurwerkgerelateerd zijn van belang. Het college heeft niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. [appellant] mocht er niet op vertrouwen dat zijn strafrechtelijke verleden hem niet zou worden tegengeworpen. Hiertoe zijn geen toezeggingen gedaan en het is aan [appellant] om alle voor de aanvraag relevante gegevens over te leggen. Het college heeft evenmin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Er is geen rechtsregel die het college verplicht een aanvraag voor een vuurwerkverkoopvergunning eerst aan de politie voor te leggen. Ook na de ontvangst van de bestuurlijke rapportage van de politie is het college voldoende voortvarend te werk gegaan, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Intrekking

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen intrekken, omdat gevaar bestond dat die mede zou kunnen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Hij voert hiertoe aan dat de veroordelingen gedateerd zijn. Bovendien vloeiden die voort uit het feit dat hij destijds geen vergunning had. Daarbij komt dat hij tevens een verkooppunt in Almere heeft waar zich geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. De rechtbank heeft aan die omstandigheden te weinig waarde gehecht, aldus [appellant].

5.1. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat [appellant] onherroepelijk is veroordeeld voor overtredingen van de artikelen 1.2.2, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.1.3, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit. Het gaat om de pleegdata 26 december 2004, 9 november 2006, 8 december 2006 en 28 oktober 2009. Op 30 december 2011 heeft [appellant] artikel 2.2.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit overtreden. Daarnaast heeft hij een aantal veroordelingen op zijn naam staan, die

nog niet onherroepelijk zijn. Het gaat om twee overtredingen van de artikelen 1.2.2, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.1.3, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, gepleegd in november 2009. Op 24 december 2013 is [appellant] voorts veroordeeld wegens overtreding van de artikelen 1.2.2, eerste lid, en 1.2.4. eerste lid, van het Vuurwerkbesluit. Daarnaast heeft hij een bestuursrechtelijke aanschrijving ontvangen, omdat hij op 6 december 2011 sigaretten rookte in zijn bedrijfspand in Almere, waarin een verkooppunt van consumentenvuurwerk is gevestigd. Verder is een bestuursrechtelijke maatregel getroffen in verband met het op 30 december 2011 opzettelijk geopend houden van de deur van de bewaarplaats waar consumentenvuurwerk opgeslagen was.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft daarbij met juistheid veel gewicht toegekend aan het repetitieve karakter van de overtredingen. Verder zijn alle in 5.1. genoemde overtredingen vuurwerkgerelateerd. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van samenhang tussen de gepleegde feiten en de activiteiten waarvoor de beschikking is afgegeven, als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Het betoog van [appellant], dat er geen samenhang is, omdat de gepleegde feiten zien op de periode waarin hij nog geen vergunning had en dat hij - met een vergunning - deze feiten niet meer kan plegen, heeft de rechtbank terecht niet gevolgd. [appellant] heeft op het gebied van vuurwerk in het verleden herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag laten zien. De rechtbank heeft in dit kader terecht van belang geacht dat ook de ingetrokken vergunning voorwaarden en beperkingen bevat waaraan [appellant] zich heeft te houden. Dat zich in het verkooppunt van consumentenvuurwerk in Almere na 2013 geen incidenten hebben voorgedaan, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht.

Het betoog faalt.

Rechtszekerheids-, legaliteits-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de intrekking in strijd is met het rechtszekerheids-, legaliteits-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert hiertoe aan dat hij door het verkrijgen van de vergunning erop mocht vertrouwen dat hij vuurwerk mocht gaan verkopen. Het op een later tijdstip alsnog intrekken van de vergunning, staat op gespannen voet met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft dit miskend. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat het college er niet bij voorbaat van uit heeft hoeven gaan dat de politie over gegevens zou beschikken op grond waarvan de vergunning niet zou zijn verleend. Het college moet zich immers op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht op de hoogte stellen van alle relevante feiten en af te wegen belangen. Dat het college dit ten onrechte heeft nagelaten, volgt tevens uit het feit dat het te kennen heeft gegeven zijn beleid te zullen aanpassen in die zin dat voorafgaand aan de verlening van een vuurwerkverkoopvergunning het levensgedrag van de aanvrager zal worden getoetst. Daarbij komt dat uit de bestuurlijke rapportage alsmede uit de mededeling van het commissielid Molema, van de commissie bezwaarschriften, volgt dat het juist gebruikelijk is dat de politie de aanvraag toetst alvorens een vergunning wordt verleend. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat het college na de ontvangst van de bestuurlijke rapportage voortvarend te werk is gegaan. [appellant] heeft zijn aanvraag op 24 oktober 2016 ingediend, waarna de vergunning op 17 november 2016 is verleend. Het college heeft op 23 november 2016 de bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Het voornemen tot het intrekken van de vergunning is op 16 december 2016 aan [appellant] kenbaar gemaakt. Op 23 december 2016 is zijn vergunning vervolgens definitief ingetrokken. Door bijna een maand te laten verstrijken tussen de ontvangst van de bestuurlijke rapportage en het voornemen tot intrekking van de vergunning, wetende welke belangen van [appellant] op het spel stonden, heeft het college onzorgvuldig gehandeld.

De rechtbank heeft in dit kader ten onrechte zwaarder gewicht toegekend aan de mededeling van het college dat het na de bestuurlijke rapportage nadere informatie heeft moeten vragen over de feiten waarvoor [appellant] onherroepelijk zou zijn veroordeeld en de kwalificatie en pleegdata van die feiten. Die informatie blijkt ook helemaal niet relevant nu het voornemen tot intrekken volledig is gebaseerd op de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Daarbij komt dat het voornemen eerder had kunnen worden medegedeeld met de mededeling dat nog om nadere informatie is verzocht bij de politie. De rechtbank heeft voorts ten onrechte de verantwoordelijkheid voor deze onzorgvuldige besluitvorming bij [appellant] gelegd door te overwegen dat hij er niet op mocht vertrouwen dat zijn strafrechtelijk verleden hem niet zou worden tegengeworpen. Hij had echter geen enkele reden te veronderstellen dat dit verleden bij de aanvraag voor een vergunning relevant zou zijn. Het college heeft er ook niet naar gevraagd, aldus [appellant].

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] een aanvraag heeft gedaan om een vuurwerkverkoopvergunning, maar hierbij niet heeft vermeld dat hij meermaals is veroordeeld wegens overtreding van het Vuurwerkbesluit. Het college heeft op grond van artikel 7 van de Wet bibob de bevoegdheid een verleende vergunning in te trekken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van die wet. Hoewel op het aanvraagformulier niet wordt gevraagd naar een eventueel strafrechtelijk verleden, mocht [appellant] er in dit geval niet op vertrouwen dat zijn strafrechtelijke verleden hem niet zou worden tegengeworpen nadat de vergunning eenmaal was verleend. Aan [appellant] zijn voorts geen ondubbelzinnige toezeggingen gedaan dat zijn strafrechtelijk verleden geen grond zou kunnen vormen voor een eventuele intrekking. Het niet vermelden ervan met als gevolg de intrekking van de vuurwerkverkoopvergunning, dient derhalve voor zijn rekening te komen.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Hierbij is van belang dat geen rechtsregel het college ertoe verplicht om aanvragen voor een vergunning eerst aan de politie voor te leggen. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dit niet. Evenmin kan uit het feit dat het college de APV inmiddels heeft aangepast, in die zin dat bij de beoordeling van een aanvraag om een vuurwerkverkoopvergunning het levensgedrag van de exploitant wordt betrokken, worden afgeleid dat het college in deze zaak onzorgvuldig heeft

gehandeld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college te kennen heeft gegeven dat de reden voor aanpassing van de APV erin is gelegen dat het de laatste jaren in diverse gevallen heeft gemerkt dat het levensgedrag van de exploitant relevant kan zijn voor de uitvoering van de vergunning. Het voorgaande neemt niet weg dat een voornemen tot het intrekken van een vergunning deugdelijk moet worden gemotiveerd waarbij alle bij het besluit betrokken belangen moeten worden afgewogen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat ook voortvarendheid een aspect is dat het college bij die afweging moet betrekken. Het college heeft te kennen gegeven dat het na de ontvangst van de bestuurlijke rapportage telefonisch contact heeft gehad met de officier van justitie, omdat uit de bestuurlijke rapportage de kwalificaties en pleegdata van de veroordelingen van [appellant] niet bleken. Het college heeft gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, terecht de tijd genomen om nadere informatie in te winnen over de veroordelingen van [appellant]. Het college heeft in dit kader te kennen gegeven dat hoewel de bestuurlijke rapportage op 23 november 2016 is ontvangen, op dat moment nog geen sprake was van een voldoende belangenafweging om te komen tot een voornemen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college hierin vervolgens niet voortvarend te werk is gegaan. Hierbij wordt betrokken dat, zoals het college te kennen heeft gegeven, de mogelijkheid van intrekking van de vuurwerkverkoopvergunning van [appellant] intern is besproken en het college het laatste advies hierover op 13 december 2016 heeft ontvangen, terwijl het voornemen op 16 december 2016 aan [appellant] bekend is gemaakt. Op 23 december 2016 zijn volgens het college nog aanvullende stukken ontvangen van het Openbaar Ministerie op grond waarvan het besluit van dezelfde datum is genomen. Het financiële belang van [appellant] heeft de rechtbank terecht niet van zodanige aard geacht dat het college gehouden was om voortvarender te werk te gaan dan nu is gebeurd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op dit punt voldoende rekenschap van het belang van [appellant] heeft gegeven.

Het betoog faalt.

Evenredigheid

7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot intrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij voert hiertoe aan dat veel tijd is verstreken sinds de strafrechtelijke veroordelingen, zodat het gevaar dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen niet groot is. Bovendien had het college voorwaarden aan de vergunning kunnen verbinden over bijvoorbeeld controles van de voorraad en de betreffende veiligheidseisen. De rechtbank heeft bovendien ten onrechte overwogen dat door het verkooppunt in Almere de schade juist kan worden beperkt. De intrekking van de vergunning is daarom buiten proportie en niet evenredig, aldus [appellant].

7.1. Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob vindt intrekking slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Zoals onder 5.2 is overwogen heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daargelaten of [appellant] door het verkooppunt in Almere de mogelijkheid heeft zijn schade te beperken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het financiële belang van [appellant] bij de verkoop van vuurwerk in dit geval niet opweegt tegen het algemeen belang van het voorkomen van het plegen van strafbare feiten met de gevraagde vuurwerkverkoopvergunning. De rechtbank heeft hierbij terecht betrokken dat het algemeen belang

bij het voorkomen van strafbare feiten aanzienlijk is temeer omdat het gaat om de verkoop van vuurwerk. Als met vuurwerk iets misgaat, kan dat tot ernstig letsel leiden. Voor het oordeel dat de intrekking niet evenredig is met de ernst van de te plegen strafbare feiten bestaat derhalve geen grond. Dat het college in het kader van de veiligheid voorschriften had kunnen verbinden aan de vergunning maakt dit, gelet op de geschiedenis van [appellant] waarin hij herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien, niet anders. Gelet op dit gedrag bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de intrekking niet evenredig is met de mate van het gevaar.

Het betoog faalt.

Slotsom

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Veenboer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

730. BIJLAGE

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

[…]

b. strafbare feiten te plegen. […]

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feilen zelf heeft begaan,

[…]

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

[…].

Artikel 7

1. Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

[…].

Algemene Plaatselijke Verordening Diemen 2015

Artikel 2:72 (Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen)

1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

[…].

Vuurwerkbesluit

Artikel 1.2.2 (geldend op 26 december 2004, 9 november 2006 en 8 december 2006)

1. Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.3.1. derde lid, 2.1.2, tweede lid, en 2.1.3, vijfde lid, consumentenvuurwerk:

a. binnen het grondgebied van Nederland te brengen, te vervaardigen, toe te passen, voorhanden te hebben, of aan een ander ter beschikking te stellen, ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de bij dit besluit gestelde eisen of de ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels.

[…].

Artikel 1.2.2 (geldend op 28 oktober 2009 en in november 2009)

1. Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.3.1, derde lid, 2.1.2, tweede lid, en 2.1.3, vijfde lid, consumentenvuurwerk:

a. binnen het grondgebied van Nederland te brengen, te vervaardigen, toe te passen, voorhanden te hebben, of aan een ander ter beschikking te stellen, ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de bij dit besluit gestelde eisen of de ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels.

[…].

Artikel 1.2.2 (geldend op 24 december 2013)

1. Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.

[…]

Artikel 1.2.4 (geldend op 24 december 2013)

1. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden te hebben buiten een inrichting als bedoeld in:

a. artikel 1.1.4;

b. artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk;

c. artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4. Artikel 2.1.3 (geldend op 26 december 2004, 9 november 2006, 8 december 2006, 28 oktober 2009 en in november 2009)

1. Consumentenvuurwerk moet zijn voorzien van:

a. de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik;

b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn;

c. de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van vestiging van de fabrikant en de importeur of handelaar;

d. het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk en het productiejaar van het vuurwerk;

e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.

Artikel 2.2.1 (geldend op 30 december 2011)

1. Degene die een inrichting drijft, waar ten hoogste 1.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of herverpakt, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1, onder A, B en C, en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

[…].

Maak PDF van deze pagina