ECLI:NL:RVS:2020:1864

ECLI:NL:RVS:2020:1864 - Raad van State - 6-8-2020

Trefwoord(en)Overlegging stukken aan de rechter, Uitzondering geheimhoudingsplicht, Legalisatie, concreet zicht op, Geheimhoudingsplicht, RIEC, Zienswijze
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning
Wetsartikel(en)Art. 28 lid 1, Art. 8:29 Awb, Art. 28 lid 2

Uitspraak

06-08-2020 Raad van State ECLI:NL:RVS:2020:1864

Instantie Raad van State

Datumuitspraak 06-08-2020

Datumpublicatie 12-08-2020

Zaaknummer 202002019/2/A3

Rechtsgebieden Bestuursrecht

Bijzonderekenmerken -

Inhoudsindicatie BKBD Horeca heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2020 in zaak nr. 19/1091. Het geding betreft een last onder bestuursdwang tot het staken van de exploitatie van het horecabedrijf Café Bruut. BKBD Horeca is exploitant van het café.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

202002019/2/A3.

Datum beslissing: 6 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:

BKBD Horeca B.V, gevestigd te Zwolle,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2020 in zaak nr. 19/1091 in het geding tussen:

BKBD Horeca B.V.

en

de burgemeester van Zwolle.

Procesverloop

BKBD Horeca heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2020 in zaak nr. 19/1091. Het geding betreft een last onder bestuursdwang tot het staken van de exploitatie van het horecabedrijf Café Bruut. BKBD Horeca is exploitant van het café.

De burgemeester heeft een advies van het Regionale Informatie en Expertise Centrum (hierna: RIEC) van 24 oktober 2018 overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

BKBD Horeca heeft een zienswijze ingediend.

Overwegingen

Het verzoek

1. De burgemeester heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het RIEC-advies kennis zal nemen. De burgemeester heeft aangevoerd dat het advies betrekking heeft op BKBD Horeca en (de toepassing van) de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Het advies maakt volgens de burgemeester deel uit van de bevindingen van het eigen onderzoek in de zin van artikel 30, zesde lid, van de Wet Bibob. Onder verwijzing naar artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob stelt de burgemeester zich op het standpunt dat op dit advies geheimhouding van toepassing is. De Wet Bibob geeft op grond van artikel 30, zesde lid, in samenhang met artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob geen mogelijkheid om het RIEC-advies te delen met BKBD Horeca nu dit advies niet noodzakelijk is voor de motivering van de genomen beslissing tot het opleggen van een last onder bestuursdwang aan BKBD Horeca, aldus de burgemeester. De reden dat het RIEC-advies niet noodzakelijk is voor de motivering van de last onder bestuursdwang is volgens de burgemeester dat er als gevolg van het vragen van het Bibob-advies geen sprake meer was van concreet zicht op legalisatie.

1.1.Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

Wet Bibob

2. Artikel 28 luidt:

"1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat.

2. Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die een advies ontvangt, geeft de daarin opgenomen gegevens niet door, behoudens aan:

a. de betrokkene, uitsluitend voorzover dit noodzakelijk is ter motivering van de naar aanleiding van het advies te nemen beslissing;

(…);

j. de rechter;

(…)."

Artikel 30, zesde lid, luidt:

"Artikel 28, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak van de betrokkene op grond van het eerste of derde lid verkregen gegevens alsmede op de bevindingen van het eigen onderzoek."

Drank- en Horecawet

Artikel 3 luidt:

"Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen."

Artikel 27, derde lid, luidt:

‘Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur."

Beoordeling Afdeling

2.1. De burgemeester hanteert het beleid dat hij, in afwachting van de verkrijging van een aangevraagde drank- en horecavergunning gedoogd dat een inrichting wordt geopend. Bij e-mail van 18 oktober 2018 heeft de burgemeester aan BKBD Horeca meegedeeld dat hij samen met het RIEC de bij de aanvraag voor een drank- en horecavergunning ingediende stukken heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat er twijfel is over de rechtmatigheid van de verkoop van de onderneming en de financiële stromen en dat hij daarom aan het Landelijk Bureau Bibob zal vragen nader onderzoek te doen. Tijdens dit onderzoek mag BKBD Horeca het horecabedrijf niet meer uitoefenen zonder te beschikken over een drank- en horecavergunning, omdat hierdoor niet langer concreet zicht bestaat op legalisatie gelet op de mogelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Drank- en Horecawet. Voorts is gebleken dat het café was geopend voor publiek en is een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van de Drank- en Horecawet.

2.2. Het enkele feit dat in de Wet Bibob een regeling omtrent geheimhouding is opgenomen, betekent niet zonder meer dat gewichtige redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb moet ook in dit geval worden beoordeeld of zodanig gewichtige redenen aanwezig zijn dat uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen het RIEC-advies. Bij deze beoordeling dient evenwel gewicht te worden toegekend aan het uit de Wet Bibob blijkende belang bij geheimhouding van die gegevens. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686).

2.3. De Afdeling heeft kennisgenomen van het advies. Het advies maakt deel uit van de bevindingen van het door de burgemeester ingestelde eigen onderzoek als bedoeld in artikel 30, zesde lid, van de Wet Bibob. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de wet Bibob is op dit advies geheimhouding van toepassing en kan het op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder j, doorgegeven worden aan de rechter. Gelet op het tweede lid, aanhef en onder a, van die bepaling kan het advies ook aan de betrokkene, oftewel BKBD Horeca worden verstrekt, echter uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is ter motivering van de naar aanleiding van het advies te nemen beslissing. De last onder bestuursdwang is niet op het RIEC-advies gebaseerd, maar op de omstandigheid dat een Bibob-advies is aangevraagd. Door die aanvraag bestond geen concreet zicht meer op legalisatie en werd niet langer gedoogd dat BKBD Horeca het café zonder drank- en horecavergunning kon exploiteren. De uitzondering van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet Bibob doet zich derhalve niet voor. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat 8:29 van de Awb in samenhang met artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob aan de verstrekking van de gegevens in deze procedure in de weg staat.

3. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe;

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Daalder w.g. Ley-Nell

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer griffier

Maak PDF van deze pagina