Onderzoek van het bureau

Onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob

Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) onderzoekt de mate van gevaar op de a- en de b-grond en (in voorkomende gevallen) de ernst van de feiten die zijn gepleegd ter verkrijging of behoud van de beschikking (zoals valsheid in geschrifte). Daarbij wordt niet alleen de aanvrager onderzocht, maar wordt op grond van de Wet Bibob ook zijn zakelijke omgeving (bijvoorbeeld de financiers) gescreend.

Onderzoeksbronnen

Het LBB heeft toegang tot diverse bronnen. Bijvoorbeeld politieregisters, de Belastingdienst, het Kadaster, het Justitieel Documentatiesysteem, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Arbeidsinspectie, de Financial Intelligence Unit (FIU), de uitkeringsinstantie UWV, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controledienst (FIOD/ECD), sociale uitkeringsinstanties en de RDW.

Onderzoekstermijn

Het LBB heeft acht weken de tijd om het onderzoek af te ronden en het advies te verstrekken. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal vier weken. De wettelijke termijn waarbinnen de overheidsinstantie de beschikking dient te geven, wordt opgeschort voor de maximale duur van het onderzoek. Na maximaal twaalf weken eindigt derhalve de opschorting, ook als het advies nog niet is afgerond.

Aanvullende vragen

Het LBB heeft de mogelijkheid om de betrokkene aanvullende vragen te stellen tijdens het onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld vragen over de financiering en zeggenschap van de onderneming, maar kunnen ook zien op een mogelijk zakelijk samenwerkingsverband.

De adviestermijn van acht tot maximaal twaalf weken (en daarmee de beslistermijn van de overheidsinstelling) wordt opgeschort tot de dag waarop de betrokkene de informatie aanlevert.

Het niet of niet volledig beantwoorden van de aanvullende vragen van het LBB kan consequenties hebben voor het uiteindelijke advies dat het LBB uitbrengt aan de overheidsinstantie. Het LBB kan dan concluderen dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de beschikking zal worden misbruikt (artikel 4, tweede lid, van de Wet Bibob). De overheidsinstantie kan op basis hiervan de aangevraagde beschikking weigeren of de verleende beschikking intrekken.